De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters
water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.
Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op 90% van het
aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de
laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande
verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of
opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan
een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water
door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding
wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle
maand gerekend.
Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet
die pompinstallatie zijn voorzien van een:
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water
kan worden afgelezen, of
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een
pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is
geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien
vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water
geschiedt op grond van enige andere wettelijke
bepaling.
De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid
toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de
hoeveelheid water die niet is afgevoerd.
Indien de in het tweede lid vermelde berekeningswijze niet
mogelijk is of de verbruikgegevens niet bekend zijn, wordt
het waterverbruik van gemeentewege geschat, met dien
verstande dat voor de berekening een minimum wordt
aangehouden van 500 m3.