Indien een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de participatiewet, wordt bij de volgende gedragingen een verlaging van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand opgelegd:
het door eigen schuld of toedoen geen recht (meer) hebben op een voorliggende voorziening voor de algemene bijstand;
het door eigen schuld of toedoen inkomsten hebben verloren.
Indien een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de participatiewet, wordt bij de volgende gedraging de op te leggen verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag, gerelateerd aan de netto-bijstand:
het onverantwoord besteden van vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de participatiewet.
De verlaging als bedoeld in het tweede lid wordt op de volgende wijze vastgesteld:
bij een benadelingsbedrag tot € 2.000,-: 25 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- tot € 10.000,-: 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 10.000,- tot 20.000,-: 100 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden;
bij een benadelingsbedrag van € 20.000,- of meer: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende het aantal maanden dat de belanghebbende met het vermogen in zijn bestaan zou hebben kunnen voorzien, met een maximum van 24 maanden.
Indien een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de participatiewet, anders dan in het eerste lid, onderdeel a. bedoeld, waardoor geen beroep meer gedaan kan worden op een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van recidive van schending van de inlichtingenplicht, wordt een verlaging van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal drie maanden opgelegd.
HOOFDSTUK 4.
Artikel 14.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de zelfstandige voorziening in het bestaan tijdens de bijstandsperiode
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Krimpen aan den IJssel 2015