Naar hoofdinhoud
Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Krimpen aan den IJssel 2015. Aldus besloten door de raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel in zijn openbare vergadering van 11 december 2014. De griffier, De voorzitter, Toelichting afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Krimpen aan den IJssel 2015 Algemene toelichting 1.Inleiding Per 1 januari 2015 vervangt de Participatiewet de Wet werk en bijstand. Net als onder de Wet werk en bijstand heeft de gemeente onder de Participatiewet de verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening. Dit geldt ook voor het afstemmen van de bijstand bij het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit de Participatiewet dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. 2.Wettelijk kader Artikel 18, eerste lid, van de participatiewet en artikel 20 van e IOAW en IOAZ spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de individuele bijstandsgerechtigde kunnen worden verwacht, spelen ook een rol. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. Artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de participatiewet bevat de opdracht aan gemeenten om het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18, tweede lid, van de participatiewet, en de periode van de verlaging van de bijstand, bedoeld in artikel 18, vijfde en zes lid, van de participatiewet in een verordening vast te leggen. Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een IOAW of IOAZ uitkering te verlagen of te weigeren indien een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of niet voldoende nakomt (artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ). De gemeente dient het gemeentelijk beleid vast te leggen in een verordening (artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAW en artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAZ). Artikel 9a, twaalfde lid, van de participatiewet luidt: “Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel e, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.” Artikel 18, tweede lid, van de participatiewet luidt: “Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan.” Geüniformeerde arbeidsverplichtingen Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bijstand methonderd procent gedurende één tot drie maanden moet worden verlaagd. In de verordening moet de duur van de verlaging vastgelegd worden (artikel 18, vijfde en zesde lid, van de participatiewet). Artikel 18, vijfde lid, van de participatiewet luidt: “Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt, verlaagt het college de bijstand met 100% voor een bij de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, vastgestelde periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden. De verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, kan tevens bepalen dat het bedrag van de verlaging wordt verrekend over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste de twee volgende maanden, waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend.” Artikel 18, zesde lid, van de participatiewet luidt: “Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het vijfde lid toepassing heeft gevonden, verlaagt het college, in afwijking van het vijfde lid, de bijstand met 100% voor een bij de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, vastgestelde periode die in ieder geval langer is dan de op grond van het vijfde lid vastgestelde periode van verlaging en ten hoogste drie maanden.” 3.Term “verlaging’’ Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de terminologie van de Participatiewet aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip afstemmen wordt het uitgangspunt van de Participatiewet benadrukt dat rechten en plichten één kant van dezelfde medaille vormen. Dit geldt ook voor de IOAW en IOAZ. In de Memorie van Toelichting bij de participatiewet wordt gesproken over de Afstemmingsverordening. Dit gebeurt ook in de aangereikte landelijke modellen. Daarnaast werd onder de Wet werk en bijstand ook gewerkt met de Afstemmingsverordening. In deze verordening wordt hierbij dus aangesloten en is derhalve gekozen voor de benaming Afstemmingsverordening met de daarin genoemde term ”verlaging’’ van de bijstand. 4.Zwaarte en duur van de verlagingen Net als onder de Wet werk en bijstand is het centrale uitgangspunt van de Participatiewet dat de periode van uitkeringsafhankelijkheid zo kort mogelijk is en dat de klant alle mogelijke moeite doet om zo spoedig mogelijk uit te stromen naar reguliere arbeid. In de Afstemmingsverordening WWB waren - ten aanzien van het nakomen van de arbeidsverplichtingen – vier categorieën verwijtbare gedragingen opgenomen: 10 procent, 25 procent, 50 procent en 100 procent gedurende één maand. Bij de categorie-indeling is bepalend de ernst van de betreffende verwijtbare gedragingen in relatie tot de gevolgen daarvan voor het niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. Met de komst van de wettelijk geüniformeerde arbeidsverplichtingen en daaraan gekoppelde vaste verlaging van 100 procent, moet de gemeente voor de niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen de hoogte van de verlaging bepalen in de verordening. Achterliggende gedachte bij de bepaling van de hoogte en de duur van de verlagingen is dat deze voldoen aan de eis van proportionaliteit en ook op dat punt de rechterlijke toetsing (door de Centrale Raad van Beroep) kunnen doorstaan. Met het oog op de expliciete keuze van de wetgever voor het invoeren van geüniformeerde arbeidsverplichtingen en de daarbij voorgeschreven zwaarte van 100% gedurende minimaal één maand en de daaraan ten grondslag liggende motieven is in deze verordening een heroverweging gemaakt van de zwaarte van de verlagingen bij niet nakomen van de niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Op basis hiervan is gekozen voor een indeling in drie categorieën van verwijtbare gedragingen met de percentages van 25 procent, 50 procent en 100 procent. Aan deze indeling ligt een redelijke en evenwichtige verhouding tot de ernst van de verwijtbare gedraging ten grondslag. 5.Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Een verlaging kan niet alleen worden opgelegd als sprake is van een schending van verplichtingen, maar ook als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Die eigen verantwoordelijkheid voor de zelfstandige bestaansvoorziening geldt al in de periode vóór de aanvraag om bijstand. Dit betekent dat ook gedragingen voorafgaande aan de aanvraag om bijstand tot het opleggen van een verlaging kunnen leiden. Dit is bijvoorbeeld het geval als de klant door eigen schuld of toedoen werkloos is geworden, geen beroep (meer) kan doen op een voorliggende voorziening of vermogen onverantwoord heeft besteed. Om dergelijk verwijtbaar gedrag niet te lang te laten doorwerken, is bepaald dat bepaalde verwijtbare gedragingen in de periode van maximaal één jaar voorafgaande aan de aanvraag om bijstand in ogenschouw worden genomen. In de uitvoeringspraktijk blijkt het systeem van verlagen bij onverantwoord interen van vermogen niet redelijk uit te werken. Dit was met name het geval bij hogere bedragen. Omdat de eerdere systematiek in een te lage verlaging resulteerde, heeft op dit punt een wijzing van de hoogte en duur van de verlaging plaatsgevonden. Ook is nu een verlaging opgenomen als de belanghebbende in de periode vóór de bijstandsperiode niet dan wel onvoldoende heeft gesolliciteerd. Uiteraard kunnen zich dergelijke verwijtbare gedragingen ook tijdens de bijstandsperiode voordoen. Het verschil met verwijtbaar gedrag vóór de bijstandsperiode is alleen dat verwijtbaar verlies van (parttime) werk tijdens de bijstandsperiode tot een verlaging leidt op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de wet. Dit betreft namelijk een geüniformeerde arbeidsverplichting. In beide gevallen is de verlaging overigens 100 procent gedurende één maand. 6.Individualisering In deze verordening is expliciet bepaald dat bij een op te leggen verlaging altijd dient te worden geïndividualiseerd c.q. maatwerk moet worden geleverd. Dit betekent dat de op te leggen verlaging dient te worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Bij elke op te leggen verlaging zal dan ook moeten worden nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. In artikel 18, negende lid, van de wet is bepaald dat het college afziet van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De gedraging kan de belanghebbende dan in het geheel niet worden verweten. In een dergelijke situatie komt men derhalve niet eens aan individualisering toe. Hierbij moet met name aan duidelijke overmachtsituaties worden gedacht. 7.Toelaatbaarheid van verlaging van 100 procent Het is mogelijk om een verlaging van 100 procent toe te passen en derhalve de bijstand volledig te weigeren. Dit is met de komst van de Participatiewet zeker het geval, nu de wetgever een wettelijke 100 procent verlaging heeft geregeld bij schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen van artikel 18, vierde lid, van de participatiewet. Algehele weigering voor een onbepaalde periode is in strijd met het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht en is eveneens in strijd met de Grondwet en de in de Participatiewet zelf neergelegde rechtsplicht van de overheid. Als de periode van verlaging van 100 procent is verstreken, herleeft het recht op bijstand van rechtswege. Er zal op dat moment (via een eenvoudig onderzoek) ook nagegaan moeten worden of er opnieuw aanleiding is om een verlaging toe te passen. 8.Verplichting tot heroverweging Het derde lid van artikel 18 van de participatiewet houdt in dat, indien een verlaging wordt opgelegd met een duur van meer dan 3 maanden, het college verplicht is om het verlagingsbesluit uiterlijk binnen 3 maanden nadat dit is genomen, te heroverwegen. Bij deze verplichte heroverweging behoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: beoordeeld moet worden of het redelijk is dat de toegepaste verlaging wordt voortgezet. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin de klant verkeert, maar bijvoorbeeld ook naar het feit of hij nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. Artikel 18, derde lid, van de participatiewet is niet van toepassing als sprake is van schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, genoemd in artikel 18, vierde lid, van de participatiewet. Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de participatiewet van toepassing. Het verschil tussen artikel 18, derde lid, van de participatiewet en artikel 18, elfde lid, van de participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas moet worden toegepast als de belanghebbende zelf een verzoek tot herziening doet. Een dergelijk verzoek kan ook gedaan worden bij een verlaging van korter dan drie maanden. Voor toepassing van artikel 18, elfde lid, van de participatiewet zullen beleidsregels opgesteld worden. 9.Schenden van de inlichtingenplicht Op 1 januari 2013 is de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving" (fraudewet) in werking getreden. Voor de WWB introduceerde deze wet de bestuurlijke boete bij een schending van de inlichtingenplicht. Vóór 1 januari 2013 waren de verlagingen die moesten worden toegepast vanwege schending van de informatieverplichting in de Afstemmingsverordening opgenomen. Deze bestuurlijke boete is ook in de Participatiewet opgenomen. De onder de WWB vastgestelde verordening inzake verrekening van de boete bij recidive geldt ook onder de Participatiewet. Er zijn geen redenen om hierop een inhoudelijke aanpassing te doen. Indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan € 50.000,- netto, dan moeten gemeenten proces-verbaal opmaken en aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Dit is vastgelegd in de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude van 4 december 2012. 10.Verlaging bij niet nakomen medewerkingsverplichting bij re-integratie In de WWB heeft per 1 juli 2013 een wijziging van artikel 17, tweede lid, van de WWB plaatsgevonden. Opgenomen is dat de belanghebbende medewerking moet verlenen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling. Dit artikel is aangepast om effectiever te kunnen optreden tegen personen die niet verschijnen op een uitnodiging voor re-integratieactiviteiten. De wetgever beoogde hiermee dat als een klant hieraan niet meewerkt, de bijstand opgeschort kan worden. Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep moet de medewerkingsplicht van artikel 17, tweede lid, van de participatiewet beperkt worden uitgelegd. Dit betekent dat het recht op bijstand niet kan worden opgeschort en bij het niet reageren door de klant op een nieuwe uitnodiging niet tot beëindiging van de uitkering kan worden overgegaan. Bij het niet verschijnen voor een oproep voor arbeidsinschakeling is derhalve alleen een verlaging aan de orde conform de Afstemmingsverordening. 11.Ingangsdatum en overgangsregeling De Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand, IOAW en IOAZ 2013, wordt per 1 januari 2015 ingetrokken. De nieuwe Afstemmingsverordening kan zodoende per 1 januari 2015 ingaan en heeft onmiddellijke werking. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich mee dat bij een wijziging van het sanctieregime de voor de belanghebbende meest gunstige regeling dient te worden toegepast. Daarom is in de verordening in een overgangsbepaling voorzien. Deze houdt in dat op gedragingen die vóór inwerkingtreding van deze verordening hebben plaatsgevonden, de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand, IOAW en IOAZ 2013 van toepassing is, voor zover deze zou leiden tot een minder zware verlaging. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel