Naar hoofdinhoud
Lid 1Op grond van het eerste lid wordt een verlaging in beginsel alleen toegepast op toekomstige nog niet uitbetaalde bijstandsuitkeringen. Hiermee wordt het bestaande beleid voortgezet. Dit houdt in dat bij een lopende uitkering de verlaging wordt toegepast ingaande de eerste van de maand volgend op die waarin de beschikking wordt verzonden. Indien bij een nieuwe aanvraag om bijstand blijkt dat er aanleiding is om een verlaging op te leggen vanwege verwijtbaar gedrag dat is begaan in de periode voorafgaande aan de aanvraag, wordt de verlaging uiteraard direct vanaf de ingangsdatum van de bijstand toegepast. Lid 2 Een verlaging van de bijstand op grond van artikel 18 van de participatiewet kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Dit heeft tot gevolg dat bij beëindiging van de bijstand niet tevens een besluit tot verlaging kan worden genomen met de aankondiging dat deze ten uitvoer wordt gelegd als de klant in de toekomst weer recht op bijstand krijgt. Er is namelijk geen sprake van een besluit als het beoogde rechtsgevolg, in dit geval een verlaging van de bijstand, afhankelijk is van een onzekere in de toekomst gelegen gebeurtenis. Wel heeft het college de bevoegdheid om bij een eventuele nieuwe toekenning van bijstand alsnog een besluit te nemen naar aanleiding van de eerdere verlagingswaardige gedraging. Met het oog hierop biedt artikel 7, tweede lid de mogelijkheid om, als belanghebbende binnen drie jaar weer een uitkering wordt toegekend, alsnog een besluit tot verlaging te nemen. In het betreffende beëindigingbesluit zal de klant hierover dienen te worden geïnformeerd. Lid 3Voor het geval tot het toepassen van een verlaging van langere duur is besloten en de uitkering van de klant wordt beëindigd nog voordat de duur van de verlaging is verstreken, is bepaald dat de resterende periode van de verlaging ten uitvoer zal worden gelegd, indien de klant binnen drie jaar na de beëindiging van de uitkering opnieuw aanspraak op bijstand maakt. Lid 4Dit lid regelt dat een verlaging voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een verlaging voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een verlaging wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de verlaging is getroffen, opnieuw een verlaging opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig. Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd op grond van artikel 18, tweede lid, van de participatiewet, dan zal het college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid, van de participatiewet. De herbeoordeling dient plaats te vinden uiterlijk binnen drie maanden nadat het besluit genomen is. Bij zo’n herbeoordeling behoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde verlaging wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. Artikel 18, derde lid, van de participatiewet is niet van toepassing als sprake is van schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, genoemd in artikel 18, vierde lid, van de participatiewet. Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als de belanghebbende zelf een verzoek tot herziening doet. Bovendien kan een dergelijk verzoek ook gedaan worden bij een verlaging van korter dan drie maanden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel