Afhankelijk of een medewerker voldoet aan de functie-eisen wordt hij ingeschaald in de aanloop- of functieschaal. Afspraken worden hierover gemaakt met de medewerker.
Onder functie-eisen worden in ieder geval verstaan opleidings- en ervaringseisen. Ook hoort hierbij dat de medewerker beschikt over de bekwaamheden om de functie uit te oefenen. Afhankelijk van de situatie kunnen aanvullende eisen gelden.
Uitgangspunt is dat een medewerker bij voldoende functioneren in twee jaren de voor hem geldende functieschaal bereikt. Afwijkende afspraken voor een kortere of langere periode zijn toegestaan. In de situatie dat een medewerker niet voldoet aan de functie-eisen wordt hij geplaatst in een aanloopschaal. Wanneer een medewerker na afloop van de afgesproken periode niet voldoet aan de functie-eisen kan de periode worden verlengd. Verlenging is maximaal tweemaal toegestaan, waarbij de totale duur in een aanloopschaal een periode van 36 maanden niet overschrijdt. Deze regel sluit aan bij artikel 2:4 CAR-UWO.
De salarisschaal bestaat uit een reeks van oplopende bedragen met een minimum en een maximum. Aan de bedragen die de reeks vormen is een nummer gekoppeld; van periodieknummer 0 (minimum) tot en met periodieknummer 11 (maximum).
Bij de inpassing in de salarisschaal spelen mee: opleiding, ervaring, bekwaamheden van de medewerker, interne verhoudingen en afspraken met de medewerker. Dit kan betekenen een hogere salarisinpassing dan het minimum van de geldende salarisschaal.
Wanneer uit een beoordeling blijkt dat de medewerker voldoet aan de gestelde eisen van de hogere salarisschaal, kan hij worden bevorderd naar de hogere schaal (eerste aanloopschaal of functieschaal). Daarvan is sprake als de medewerker aantoonbaar beschikt over voldoende opleiding en ervaring en/of de medewerker blijkt heeft gegeven de functie op volledige en op voldoende wijze te kunnen vervullen.