Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Hoogte van de individuele inkomenstoeslag

Onderdeel van Verordening individuele inkomenstoeslag Schiermonnikoog 2015

1.. De individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: Voor een alleenstaande 40% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel a van de wet; Voor een alleenstaande ouder 40% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel a van de wet, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 20% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de wet]; Voor gehuwden 40% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de wet. 2.. In afwijking van het eerste lid wordt de individuele inkomenstoeslag voor de belanghebbende als bedoeld in artikel 3, tweede lid, verminderd met het verschil op jaarbasis tussen het inkomen op de peildatum en 110% van de bijstandsnorm. 3.. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid van de wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 4.. Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid is de situatie op de peildatum bepalend. 5.. De individuele inkomenstoeslag is een vast percentage van het normbedrag zoals die geldt op 1 januari van het kalenderjaar waarin de peildatum valt. De bedragen worden op de hele euro naar boven afgerond.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel