Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Vrijstellingen

Onderdeel van Binnenhavengeldverordening 2015

Geen binnenhavengeld wordt geheven ter zake van: het gebruik van de haven ter zake waarvan zeehavengeld wordt geheven, waarvan havengeld pleziervaartuigen wordt geheven of waarvoor door de gemeente bij overeenkomst een vergoeding is bedongen; het gebruik van de haven met een vaartuig uitsluitend voor het in de haven dokken, het op of aan een werf herstellen, het voor de eerste maal vaarklaar maken, het slopen, het wisselen van bemanning, het stellen van kompassen of het ontschepen van zieken of doden, mits: het gebruik niet langer duurt dan voor een en ander noodzakelijk is en de duur van twee maanden per jaar niet te boven gaat, en: vooraf van het voornemen tot de handelingen of de werkzaamheden aan het college van burgemeester en wethouders wordt kennis gegeven met vermelding van de vermoedelijke tijdsduur van de handelingen of de werkzaamheden; bij belangrijke herstelwerkzaamheden de benodigde bewijsstukken worden overgelegd; het gebruik van de haven met: een hospitaalschip; een woonschip, bedoeld in de Wet op woonwagens en woonschepen (Stbl. 1918, nr. 492); vaartuigen van ondergeschikte betekenis, zoals roeiboten en kano's; vaartuigen waarvan het gebruik van de haven zich uitsluitend beperkt tot een doorvaart tussen de Nieuwe Maas en de Vlaardingse Vaart of omgekeerd dan wel van of naar een verhuurd wateroppervlak in de haven.

Rechtspraak bij dit artikel