Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 7

Termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2015

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede één maand later. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Indien tot tweemaal toe geen toereikend saldo beschikbaar is op de betaalrekening van de belastingschuldige waarvan door middel van automatische betalingsincasso geld wordt afgeschreven, wordt er een nieuwe termijn vastgesteld en komt de afgegeven machtiging tot automatische incasso te vervallen. In afwijking van lid 2 geldt ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen als bedoeld in artikel 1 of meerdere andere heffingen: Lager is dan € 50,00 of meer is dan € 2.500,00 dat de aanslagen wordt geïncasseerd in twee termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede één maand later; Hoger is dan of gelijk aan € 50,00 maar lager is dan € 75,00 dat de aanslag wordt geïncasseerd in drie termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later; Hoger is dan of gelijk aan € 75,00 maar lager is dan € 100,00 dat de aanslag wordt geïncasseerd in vier termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing, voor zover deze wordt opgelegd met de aanslag. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel