Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Toeslagen

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand

1.. De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 2.. De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning maximaal één ander zijn hoofdverblijf heeft. 3.. De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. 4.. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: kinderen tot 18 jaar; kinderen van 18 jaar of ouder met een inkomen lager dan of gelijk aan 50 procent van de gehuwdennorm, waarbij van het inkomen wordt uitgesloten het inkomen op grond van de Wet studiefinanciering en het inkomen op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; verzorgingsbehoevenden die door de belanghebbende worden verzorgd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel