3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemeen
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
agrarisch bedrijfsmatig gebruik;
agrarisch hobbymatig gebruik;
uitsluitend bomenteelt, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt';
een biomassa-vergistingsinstallatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - biomassa-vergistingsinstallatie';
composteren ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - composteerinstallatie';
met daaraan ondergeschikt:
ontsluitingsvoorzieningen;
tuinen, erven en groenvoorzieningen;
recreatief medegebruik, voor zover dit geen onevenredige verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft;
evenementen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein' en mits voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 3.4.2;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
een modelvliegtuigbaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'modelvliegtuigbaan'.
3.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 46.1.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen
Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van bestaande gebouwen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van:
omheiningen en/of erfafscheidingen, uitsluitend in de vorm van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1 meter bedraagt;
voerderruiven, drinkbakken en/of picknickplaatsen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
bestaande bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt.
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van teeltondersteunende voorzieningen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.1 en 3.2.2 ten aanzien van teeltondersteunende voorzieningen, met dien verstande dat:
de oppervlakte van teeltondersteunende voorzieningen per bedrijf maximaal 500 m2 mag bedragen;
een goede landschappelijke inpassing dient te zijn gewaarborgd;
teeltondersteunende voorzieningen niet in de ecologische hoofdstructuur mogen worden gesitueerd;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
het straat- en bebouwingsbeeld;
het woon- en leefklimaat;
de verkeersveiligheid;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
de landschappelijke en/of natuurlijke waarden;
de waterstaatskundige en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden.
3.3.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van voer- en sleufsilo's
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 ten aanzien van het oprichten van voer- en sleufsilo's, voor de opslag van voer, met dien verstande dat:
de silo's gedeeltelijk in of direct aangrenzend aan de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1 en/of 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2' worden gerealiseerd;
een goede landschappelijke inpassing dient te zijn gewaarborgd;
een silo niet voor de voorgevelrooilijn gesitueerd mag worden;
de hoogte van sleufsilo's maximaal 2 meter bedraagt;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
het straat- en bebouwingsbeeld;
het woon- en leefklimaat;
de milieusituatie;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
de landschappelijke en/of natuurlijke waarden;
de waterstaatskundige en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden.
3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Strijdig gebruik
Onder gebruiken en/of laten gebruiken in strijd met de beheersverordening wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
terras, tennisbaan en zwembad;
paardenbak, tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend;
het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waaronder reclame-uitingen;
opslag van mest(stoffen), tenzij daar een omgevingsvergunning voor is verleend, en andere buitenopslag, behoudens voor zover dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik;
boom- en fruitteelt, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt'.
3.4.2 Evenemententerrein
Ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein' zijn evenementen toegestaan onder de volgende voorwaarden:
het evenement is toegestaan overeenkomstig de bepalingen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV);
het evenement duurt maximaal 15 dagen aaneengesloten, inclusief het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement;
de locatie wordt niet meer dan 1 maal per jaar voor een evenement gebruikt;
er vindt geen horeca ter plaatse plaats, anders dan inherent aan het toegestane evenement;
er vindt geen detailhandel ter plaatse plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement;
er vindt geen recreatief nachtverblijf ter plaatse plaats.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van minicampings:
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.4.1, ten behoeve van een minicamping, met dien verstande dat:
het aantal minicampings binnen de gemeente niet meer dan 50 bedraagt;
nieuwe minicampings in het Natura 2000 gebied (ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone natura 2000') en EHS gebieden niet mogelijk zijn;
het aantal kampeerplaatsen maximaal 15 bedraagt;
uitsluitend kampeermiddelen mogen worden geplaatst;
deze gronden direct aansluiten aan de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1' of 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2';
een goede landschappelijke inpassing dient te zijn gewaarborgd;
de oppervlakte van een kampeerplaats minimaal 80 m² bedraagt;
de afstand van de minicamping tot de perceelsgrens met aangrenzende woningen met een woonbestemming minimaal 25 meter bedraagt;
het kamperen niet plaatsvindt tussen 1 november en 15 maart;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
het straat- en bebouwingsbeeld;
het woon- en leefklimaat;
de verkeersveiligheid;
de sociale veiligheid;
de milieusituatie;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden;
de waterstaatkundig en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden;
in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein.
3.5.2 Afwijken van de gebruiksegels ten behoeve van een paardenbak
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.4 ten behoeve van het gebruik van gronden als paardenbak, met dien verstande dat:
de volledige paardenbak wordt gerealiseerd binnen een straal van 70 meter gemeten vanaf het aangrenzend en bijbehorend hoofdgebouw;
de paardenbak op een minimale afstand van 50 meter gemeten vanaf woningen van derden dient te worden aangelegd;
de plaatsing van lichtmasten bij de paardenbak uitsluitend is toegestaan indien dit geen lichthinder tot gevolg heeft;
een goede landschappelijke inpassing dient te zijn gewaarborgd;
de paardenbak een afmeting heeft van maximaal 20 x 40 meter;
de bouwhoogte van de paardenbak maximaal 1,50 meter bedraagt, uitgezonderd de hoogte van lichtmasten, die maximaal 5,00 meter bedraagt;
een paardenbak niet voor de voorgevelrooilijn gesitueerd mag worden;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
het straat- en bebouwingsbeeld;
het woon- en leefklimaat;
de verkeersveiligheid;
de sociale veiligheid;
de milieusituatie;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
de landschappelijke en/of natuurlijke en/of ecologische waarden;
de waterstaatkundig en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden.
3.5.3 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van mestopslag
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.4 ten behoeve van het gebruik van gronden voor mestopslag, met dien verstande dat:
de volledige mestopslag gedeeltelijk in of direct aangrenzend aan de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1 en/of 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2' wordt gerealiseerd;
een goede landschappelijke inpassing dient te zijn gewaarborgd;
een mestopslag niet voor de voorgevelrooilijn gesitueerd mag worden;
de mestopslag is gelegen op een afstand van minimaal 100 meter van woningen van derden, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden en op basis van een milieutechnische motivering een afstand van minimaal 50 meter aanvaardbaar is;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
het straat- en bebouwingsbeeld;
het woon- en leefklimaat;
de milieusituatie;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
de landschappelijke en/of natuurlijke waarden;
de waterstaatskundige en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden.
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.6.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
het wijzigen van de kavelstructuur;
het verwijderen van karakteristieke erfbeplanting (waaronder hoogstamfruitbomen);
het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
het dempen of graven van sloten, vaarten, poelen en daarmee gelijk te stellen waterpartijen;
het aanbrengen van walbeschoeiingen, niet zijnde bouwwerken en aanleggelegenheden;
het verrichten van exploratieboringen en/of seismologisch onderzoek;
het aanleggen van ondergrondse transport- energie- en/of telecommunicatieleidingen, exclusief drainageleidingen, met uitzondering van het aanbrengen van leidingen ten behoeve van de aansluiting van percelen op het openbare voorzieningennet.
3.6.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in artikel 3.6.1 is niet van toepassing op:
normale onderhoudswerkzaamheden;
werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
3.6.3 Toelaatbaarheid
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.6.1 kan alleen worden verleend indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 3.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.
3.6.4 Inwinnen advies bevoegd waterschapsgezag
In de volgende gevallen vraagt het bevoegd gezag advies aan het ter plaatse bevoegde waterschapsgezag, alvorens de in artikel 3.6.1 genoemde vergunning te verlenen:
wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak groter dan 750 m²;
wanneer gronden worden afgegraven met als doel permanent oppervlaktewater met een oppervlakte groter dan 750 m² te realiseren.