Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 5, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie. Vervolgens maakt het college zo spoedig mogelijk een afspraak met de jeugdige of zijn ouders voor een gesprek.
Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek.