De belastingaanslagen moeten worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de
maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
vermeld.
In afwijking van het eerste lid moeten voorlopige aanslagen worden betaald in
zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden
in het belastingtijdvak overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen
tenminste twee bedraagt.
De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet / de kennisgeving en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 met
eenbelastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het
eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd
met de vaststelling van de belastingaanslag.
Artikel 7
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van een Vermakelijkhedenretributie 2015