Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.1.7.2

Werken in de nabijheid van leidingen

Onderdeel van Handboek Leidingen 2006

Voordat de aannemer start met graafwerkzaamheden dienen de naastliggende en kruisende leidingen te worden gelokaliseerd. Indien te lokaliseren leidingen niet worden aangetroffen, dan dient in overleg te worden getreden met de betreffende leidingexploitant. In overleg met de betrokken leidingexploitanten kan worden bepaald waar en tot hoever machinaal mag worden gegraven. Met inachtneming van het voorgaande kan in het algemeen worden gesteld dat behoudens uitzonderingen tot een afstand van 0,50 m van de aanwezige leidingen machinaal mag worden gegraven. De wijze van ontgraven die wordt toegepast, dient beschadigingen van naastliggende leidingen uit te sluiten. Sonderingen, grondboringen, bronneringen en graafwerkzaamheden dienen zo te worden uitgevoerd dat geen schade optreedt.

Rechtspraak bij dit artikel