Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6.

Artikel 6.4

Bedrijfsbeëindiging

Onderdeel van Handboek Leidingen 2006

Voor het verwijderen van leidingsystemen of leidingen is het gestelde in de Leidingenverordening De Ronde Venen en Telecommunicatieverordening De Ronde Venen van toepassing. Uitgangspunt hierbij is dat bij het vervangen van een leiding, de buiten bedrijf gestelde leiding verwijderd moet worden. Dit geldt eveneens voor leidingen die niet worden vervangen maar permanent buiten gebruik worden gesteld. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij het verwijderen van niet meer in gebruik zijnde leidingsystemen of leidingen niet direct wenselijk is. Hiervoor dient altijd toestemming verkregen te worden van het College. In dat geval kunnen nadere eisen gesteld worden aan het tijdelijk handhaven van deze leidingsystemen of leidingen. Deze eisen kunnen zijn: Blijvende registratie van niet meer in gebruik zijnde leidingensystemen of leidingen in het beheersysteem van de leidingexploitant; Inschatting van risico’s bij beëindiging en het nemen van de nodige risicobeperkende maatregelen of activiteiten; Leidingsystemen of leidingen die voor langere tijd buiten bedrijf worden gesteld, moeten worden ontkoppeld, productvrij gemaakt, afgedicht en geconditioneerd. Het beheersysteem blijft van toepassing ten behoeve van de bewaking van de leiding en het archiveren van ligging- en leidinggegevens; Uit leidingsystemen of leidingen die permanent worden verlaten moeten restproducten worden verwijderd en op passende wijze worden afgevoerd; Verwijdering als de gelegenheid zich voordoet, bijvoorbeeld in combinatie met wegonderhoud of aanleg van nieuwe leidingen in of direct naast het tracé.

Rechtspraak bij dit artikel