Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 14

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (alléén bij WWB)

Onderdeel van Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2010

Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWBwordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt in ieder geval verstaan: het te snel interen van een vermogen dat meer bedrag dan de toepasselijke vermogensgrens; het niet dan wel te laat aanspraak doen op een voorliggende voorziening; het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering; het op verwijtbare wijze door eigen toedoen voorafgaand aan de bijstandsaanvraag dan wel tijdens de bijstand (als het gaat op deeltijdwerk) betaalde arbeid niet behouden. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld: bij een periode van 3 maanden of korter: 10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand; bij een periode van 3 tot 6 maanden: 10 procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden; bij een periode van 6 maanden en langer: 10 procent van de bijstandsnorm gedurende zes maanden. In afwijking van het tweede lid wordt bij een gedraging zoals genoemd in het eerste lid, onder d, een maatregel opgelegd van 100 procent van de bijstandnorm gedurende een maand. In afwijking van het tweede lid wordt, indien een belanghebbende niet of onvoldoende verzekerd is tegen ziekte- of tandartskosten dan wel andere kosten, bij een aanvraag de bijzondere bijstand vastgesteld alsof belanghebbende voldoende verzekerd is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel