Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel Para-commerciële activiteiten

Artikel Para-commerciële activiteiten

Onderdeel van Beleidsnota Gemeenschapshuizen

Uit de inventariserende hoofdstukken van de ontwerp-beleidsnota gemeenschapshuizen is gebleken dat bij diverse gemeenschapshuizen sprake is van activiteiten die onder de noemer para-commerciële activiteiten geschaard kunnen worden. Het varieert van het beschikbaar stellen van een zaal voor het buitenshuis vieren van een verjaardag tot het verzorgen van bruiloften en partijen. Als dergelijke activiteiten niet langer zouden mogen worden uitgevoerd in de gemeenschapshuizen, heeft dat uiteraard gevolgen voor de exploitatieresultaten. Dat geldt overigens ook als dergelijke activiteiten spontaan wegvallen doordat klanten hun keuze bepalen op een andere accommodatie dan een gemeenschapshuis. Artikel 3a van de Drank- en Horecawet bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders voorschriften of beperkingen verbindt aan de vergunning van o.a gemeenschapshuizen, gericht op het voorkomen van oneerlijke concurrentie met de beroepsmatige horeca, gelet op de plaatselijke en regionale omstandigheden. De voorschriften of beperkingen kunnen alleen betrekking hebben op: a. in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen; b. het openlijk aanprijzen van de mogelijkheid tot het houden van bijeenkomsten als bedoeld onder a; c. de tijden gedurende welke in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank wordt verstrekt. De betreffende wetsbepaling is in werking getreden op 1 juni 1991. Ten tijde van de wijziging van de Drank- en Horecawet over de aanvullende voorschriften aan horecavergunningen voor rechtspersonen waarvoor nog geen koepelafspraken golden, is in goede samenspraak en in overeenstemming met de plaatselijke horeca bepaald welke horecavergunningen aangepast zouden moeten worden (hetgeen ook is gebeurd). Voor de gemeenschapshuizen is door de plaatselijke horeca kenbaar gemaakt dat er uit een oogpunt van ordelijk economisch verkeer geen situatie bestond die als onwenselijk moest worden beschouwd. Met name ten aanzien van Den Herd is uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat er geen aanleiding bestond om aanvullende voorschriften aan de bestaande vergunning te verbinden. Ook de regionale commissie para-commercialisme van de Kamer van Koophandel is destijds hierin gekend en heeft geen bezwaar gemaakt. Er is sindsdien geen sprake geweest van zodanige wijzigingen in de gemeenschapshuizen, noch in de reguliere horeca-ondernemingen, dat er nu wel sprake zou zijn van een onwenselijke situatie. Wel bestaan er in individuele gevallen bepaalde afspraken. In Hoogeloon bijvoorbeeld, is al bij de totstandkoming van d'n Anloôp afgesproken dat in dat gemeenschapshuis geen gelegenheid geboden wordt voor feesten en partijen in de privésfeer. Enige jaren nadien is in overleg met de plaatselijke horeca afgesproken dat voor koffietafels na begrafenissen wel faciliteiten in het gemeenschapshuis geboden mogen worden. Gemeenschapshuis d'n Aord in Casteren heeft met de lokale horeca-ondernemers de afspraak dat het gemeenschapshuis niet als derde café van Casteren zal functioneren. Voor situaties waarin accommodaties tijdelijk uitgebreid worden met tenten, liggen afspraken vast in de Beleidsregels Evenementen. Uit jurisprudentie (AB 1997/87) valt af te leiden dat er na 1 maart 1992 (9 maanden na inwerkingtreding) slechts voorschriften gesteld mogen worden op grond van artikel 3a lid 1 als er sprake is van een nieuwe vergunning (voor een nieuwe instelling of wanneer er sprake is van een verandering van vergunninghouder), of,  bij bestaande vergunningen, op grond van artikel 3a lid 4, dat van toepassing is als er sprake is van wijziging in de plaatselijke of regionale omstandigheden. In het overleg tussen gemeente en horeca, dat op 7 december 1998 is gehouden, is de verwachting uitgesproken dat de beleidsnota gemeenschapshuizen in het voorjaar van 1999 in ontwerp bekendgemaakt zal worden. In het kader van een zorgvuldige voorbereiding worden belanghebbenden - in deze dus ook de plaatselijke horecaverenigingen- in de gelegenheid gesteld om te reageren op de beleidsvoornemens. De horeca zal moeten aantonen dat er sprake is van zodanige wijzigingen dat thans wel sprake is van een situatie die uit een oogpunt van ordelijk economische verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd, als men van mening is dat er moet worden overgegaan tot het verbinden van voorschriften aan de bestaande vergunningen van de gemeenschapshuizen. Of het nu wel of niet mogelijk is om formeel over te gaan tot het verbinden van voorschriften of beperkingen aan de bestaande vergunningen, zeker is in elk geval dat het van belang is om te voorkomen dat er een conflictsfeer ontstaat tussen de horeca en de gemeenschapshuizen. Het lijkt daarom de moeite waard om bij de gemeenschapshuizen het draagvlak te peilen voor vrijwillig te hanteren gedragsregels. STELLING / BESLISPUNT: De bestaande praktijk op het gebied van paracommerciële activiteiten van gemeenschapshuizen heeft in het verleden geen aanleiding gegeven tot het verbinden van voorschriften en beperkingen aan de vergunningen op grond van de Drank- en horecawet en is ook thans geen aanleiding om daartoe over te gaan. Uitbreiding of beperking van die activiteiten kunnen geëffectueerd worden op basis van consensus tussen horeca-ondernemers en gemeenschapshuizen, of in gevallen waarin dat wettelijk afdwingbaar blijkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel