1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de
aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de
aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
3.a. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan een
werknemersvergunning door middel van automatische incasso in maandelijkse
termijnen van de betaalrekening van de belastingschuldige worden
afgeschreven. De incassotermijnen vervallen op de laatste werkdag van de
maand; b. Bij de toepassing van het vorige lid wordt het aantal
incassotermijnen gelijk gesteld aan het aantal gehele maanden dat na ingang
van de vergunning overblijft, met dien verstande dat het minimum aantal
termijnen één bedraagt.
4. Een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234 van de Gemeentewet moet
terstond worden betaald.
Artikel 8
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2015