Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Termijnen van betaling

Onderdeel van VERORDENING op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2015

1.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2.. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting worden betaald vóór het verlaten van het terrein, waarbij betaling plaatsvindt met behulp van het toegangskaartje in de centrale parkeerapparatuur. 3.. Indien het in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt via een mobiele telefoon of een ander communicatiemiddel moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één maand na het einde van het parkeren. 4.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning/het abonnement wordt verleend. 5.. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel