Naar hoofdinhoud

Artikel 11.

Regels voor pgb

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Zeist 2015

1.. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2.. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3.. De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. 4.. Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt slechts plaats op verzoek van de aanvrager. 5.. De hoogte van een pgb: wordt bepaald aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in die situatie goedkoopst compenserende natura voorziening. 6.. De hoogte van een pgb voor: een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering; huishoudelijke hulp wordt bepaald per uur of per resultaat van een schoon huis op basis van het basistarief dat door de gemeente is vastgesteld per uur of per resultaat van een schoon huis voor huishoudelijke hulp in natura. Afhankelijk van de uitvoerder van de hulp worden de volgende percentages van dit basistarief gehanteerd: hulp door een persoon uit het eigen netwerk 60% hulp door een zelfstandige zonder personeel (ZZP-er) of een schoonmaakbedrijf dat de cao Schoonmaak hanteert: 75% hulp door een thuiszorgorganisatie die de cao VVT hanteert: 85% individuele begeleiding, groepsbegeleiding en kortdurend verblijf wordt bepaald per uur, per resultaat of per dag(deel) op basis van het basistarief dat door de gemeente is vastgesteld voor de betreffende soort begeleiding per uur, per resultaat of per dag(deel) in natura. Afhankelijk van de uitvoerder van de begeleiding worden de volgende percentages van dit basistarief gehanteerd: begeleiding/kortdurend verblijf door een persoon uit het eigen netwerk: 50% begeleiding/kortdurend verblijf door een organisatie zonder AGB-code met erkenning Wmo: 75% begeleiding/kortdurend verblijf door een professional, hetzij door een zelfstandige zonder personeel dan wel een beroepsuitoefenaar die een arbeidsovereenkomst heeft met de budgethouder: 75% begeleiding/kortdurend verblijf door een organisatie met AGB-code met erkenning Wmo: 90% vervoer van en naar de dagbesteding wordt bepaald op basis van 100% van het basistarief dat door de gemeente is vastgesteld voor de betreffende soort vervoer per dag in natura; een autoaanpassing wordt bepaald op basis van het programma van eisen voor de aanpassing en de laagste kostprijs voor een vergelijkbare aanpassing in natura, op basis van een door de gemeente opgevraagde offerte bij een leverancier van autoaanpassingen. Indien de budgethouder geclassificeerd is als werkgever in volle omvang wordt het ter beschikking gestelde PGB tarief/budget ten gunste van de budgethouder gecorrigeerd voor de werkgeverslasten en werknemerspremies. 7.. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt voor een dienst mag ten hoogste een bedrag van € 250,- per jaar van dit pgb besteden aan bemiddelingskosten, mits deze kosten zijn vastgelegd in een overeenkomst. 8.. Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt niet plaats als: het vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget of; op grond van de progressiviteit van het ziektebeeld de aangevraagde voorziening zo snel weer door een aangepaste voorziening vervangen dient te worden dat deze verstrekking zich daardoor niet leent voor een persoonsgebonden budget. 9.. Voor cliënten die reeds voor 1 januari 2015 een persoonsgebonden budget hadden voor begeleiding of kortdurend verblijf, geldt een overgangsregeling. Deze cliënten hebben recht op continuering van zorg bij de bestaande zorgaanbieder gedurende de resterende indicatietermijn tot een maximum van 1 jaar, dus tot uiterlijk 1 januari 2016.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel