**1..** Een cliënt komt binnen de kaders van de wet, met name de artikelen 1.2.1 en 2.3.5, het door de raad vastgestelde plan en deze verordening in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.
**2..** Het college besluit, indien de cliënt op een maatwerkvoorziening is aangewezen, tot de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening.
**3..** Het college verstrekt, in aanvulling op de voorgaande leden, slechts een maatwerkvoorziening, gericht op het versterken of behoud van de zelfredzaamheid of participatie, indien aan de volgende criteria is voldaan:
de cliënt heeft adequaat, binnen de eigen mogelijkheden, ingespeeld op de aanwezige beperkingen of op de gevolgen van de diverse levensfases waarin een ieder mee te maken krijgt of kan krijgen;
de maatwerkvoorziening is, gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving en brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee;
er is geen sprake van een verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening terwijl deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven;
de melding is gedaan op een zodanig moment, dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning kan plaatsvinden;
de cliënt werkt in voldoende mate mee aan het onderzoek;
de noodzaak tot het opnieuw verstrekken van een voorziening is niet aan de cliënt te verwijten;
de noodzakelijke maatwerkvoorziening leidt tot meerkosten voor de cliënt ten opzichte van de situatie waarin een vergelijkbare persoon zonder dergelijke belemmeringen verkeert.
**4..** Het college kan nadere regels stellen inzake de aard, inhoud en omvang van de te verstrekken maatwerkvoorzieningen.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.1
Criteria voor maatwerkvoorziening
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2015