In deze verordening wordt verstaan onder:
Algemene bijstand: de periodieke bijstand als bedoeld in artikel 5
onder b Participatiewet en die bestemd is voor de voorziening in de
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Bijzondere bijstand; de toeslag als bedoeld in artikel 35, lid 1
Participatiewet die vanwege bijzondere omstandigheden in een
individuele situatie naast een inkomen ter hoogte van de algemene
bijstand wordt verstrekt dan wel juist als aanvulling tot de hoogte
van dit inkomen en waarbij de aanwezige draagkracht ontoereikend
is.
Voorliggende voorziening; elke voorziening die gezien haar aard en
doel wordt geacht voor de betrokkene toereikend en passend te
zijn.
Inkomen; de (periodieke) middelen uit of in verband met arbeid, een
uitkering ingevolge de sociale zekerheid of een daarmee gelijk te
stellen uitkering, een uitkering tot levensonderhoud volgens Boek I
Burgerlijk Wetboek, vermeerderd met toeslagen die gelden als
inkomen.
Vrij te laten vermogen; het toepasselijke bedrag als bedoeld in
artikel 34, lid 3 Participatiewet, het in de eigen woning
vrijgelaten vermogen als bedoeld in artikel 34, lid 2 onder d
Participatie-wet en een extra vrijlating van € 5.000 per persoon
voor de aantoonbare reservering van uitvaartkosten.
Draagkracht; het in aanmerking te nemen bedrag waarmee het eigen
inkomen de toepasselijke bijstandsnorm te boven gaat en het eigen
vermogen waarmee het bescheiden vermogen wordt overschreden.
Leenbijstand; de te verstrekken geldsom ter voorziening in de kosten
bedoeld in artikel 48 Participatiewet.
Aflossingscapaciteit; het gedeelte in het inkomen dat kan worden
beschouwd als de financiële ruimte om een schuld periodiek af te
lossen.
Rente; de over de te verstrekken leenbijstand verschuldigde rente
ter hoogte van het percentage genoemd in artikel 15, onderdeel a van
het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.