Naar hoofdinhoud

Artikel 1.

Algemene bepalingen

Onderdeel van Verordening bijzondere bijstand 2015 gemeente Heerde

In deze verordening wordt verstaan onder: Algemene bijstand: de periodieke bijstand als bedoeld in artikel 5 onder b Participatiewet en die bestemd is voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Bijzondere bijstand; de toeslag als bedoeld in artikel 35, lid 1 Participatiewet die vanwege bijzondere omstandigheden in een individuele situatie naast een inkomen ter hoogte van de algemene bijstand wordt verstrekt dan wel juist als aanvulling tot de hoogte van dit inkomen en waarbij de aanwezige draagkracht ontoereikend is. Voorliggende voorziening; elke voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht voor de betrokkene toereikend en passend te zijn. Inkomen; de (periodieke) middelen uit of in verband met arbeid, een uitkering ingevolge de sociale zekerheid of een daarmee gelijk te stellen uitkering, een uitkering tot levensonderhoud volgens Boek I Burgerlijk Wetboek, vermeerderd met toeslagen die gelden als inkomen. Vrij te laten vermogen; het toepasselijke bedrag als bedoeld in artikel 34, lid 3 Participatiewet, het in de eigen woning vrijgelaten vermogen als bedoeld in artikel 34, lid 2 onder d Participatie-wet en een extra vrijlating van € 5.000 per persoon voor de aantoonbare reservering van uitvaartkosten. Draagkracht; het in aanmerking te nemen bedrag waarmee het eigen inkomen de toepasselijke bijstandsnorm te boven gaat en het eigen vermogen waarmee het bescheiden vermogen wordt overschreden. Leenbijstand; de te verstrekken geldsom ter voorziening in de kosten bedoeld in artikel 48 Participatiewet. Aflossingscapaciteit; het gedeelte in het inkomen dat kan worden beschouwd als de financiële ruimte om een schuld periodiek af te lossen. Rente; de over de te verstrekken leenbijstand verschuldigde rente ter hoogte van het percentage genoemd in artikel 15, onderdeel a van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel