Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 16

Beëindigen van niet-gebruik

Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2015

Een individuele vervoersvoorziening dient binnen de vastgestelde periode van gebruiksduur aan de gemeente te worden overgedragen dan wel de restwaarde ervan vergoed, zodra: vaststaat dat de aanvrager de voorziening niet meer gebruikt; de aanvrager is overleden, de verplichting rust dan op de erfgenamen; de aanvrager is verhuisd, tenzij de nieuwe woongemeente de verstrekking overneemt. Indien vanwege medische redenen binnen de vastgestelde periode van gebruiksduur opnieuw eenzelfde soort vervoersvoorziening wordt aangevraagd in de vorm van een PGB, dan vindt eventuele verstrekking plaats onder inhouding van het bedrag van de restwaarde van de eerder verstrekte voorziening. De restwaarde van de individuele vervoersvoorziening wordt als volgt bepaald: in het eerste jaar 85% van het bedrag PGB; in het tweede jaar 70% van het bedrag PGB; in het derde jaar 55% van het bedrag PGB; in het vierde jaar 40% van het bedrag PGB; in het vijfde jaar 25% van het bedrag PGB; in het zesde jaar 10% van het bedrag PGB. Een ondersteuningsbehoevende ontvangt na het spontaan en vrijwillig inleveren van een toegekende individuele vervoersvoorziening wegens sporadisch gebruik éénmalig een forfaitair bedrag inleverpremie van € 75,00. Aanspraak op de inleverpremie geldt bij een Wmo-indicatie met een geldigheid van ten minste zes maanden na de datum van inlevering en geldt niet bij beëindiging van het gebruik van de vervoersvoorziening op grond van lid 1 en lid 2 van dit artikel. Van de inleverpremie wordt geen eigen bijdrage of eigen aandeel afgetrokken.

Rechtspraak bij dit artikel