De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
bijzondere omstandigheden voor één of meer horecabedrijven
tijdelijk andere dan de geldende sluitingstijden vaststellen
of tijdelijk sluiting bevelen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b
van de Opiumwet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting:
zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de
tijd dat de inrichting gesloten moet zijn op grond
van een besluit krachtens artikel 2:30,
1e lid;
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan
personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen
die aanwezig zijn op het terras.
Artikel 2:31a Ordeverstoring
1.Het is verboden in een openbare inrichting onnodig op te dringen
of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, te
veroorzaken of in groepsverband dan wel afzonderlijk anderen lastig
te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.
2.Het is verboden in een openbare inrichting messen, knuppels,
slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden
gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde
of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die
behoren tot categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie. Deze
wapens zijn op grond van de Wet wapens en munitie verboden.
4. Een ieder is verplicht in een openbare inrichting alle
aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer en daartoe
bevoegde ambtenaren van de gemeente in het belang van openbare orde
of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
4.Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar
als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van
bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het
Wetboek van Strafrecht.
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat
een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat
bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere
wijze overdraagt.
4.Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
4.Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28
tot en met 2:30op als bevoegd bestuursorgaan.
4.Artikel 2:34 Overige bepalingen
4.Een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 vervalt, indien de
betreffende openbare inrichting wordt beëindigd, van overheidswege
wordt gesloten, als gedurende een periode van zes maanden geen
gebruik wordt gemaakt van de vergunning of indien de aard en omvang
van de openbare inrichting wordt gewijzigd.
4.Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het
verschaffen van nachtverblijf
4.Artikel 2:35 Begripsbepaling (vervallen)
4.Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie (vervallen)
4.Artikel 2:37 Nachtregister (vervallen)
4.Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
(vervallen)
4.Afdeling 10 Toezicht op
speelgelegenheden
4.Artikel 2:39 Speelgelegenheden (vervallen)
4.Artikel 2:40 Speelautomaten
1.In dit artikel wordt verstaan onder:
Wet: de Wet op de kansspelen;
kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
c, van de Wet;
hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
30, onder d, van de Wet;
laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
30, onder e, van de Wet.
In hoogdrempelige inrichtingen of het hoogdrempelige
deel van een samengestelde inrichting zijn 2
kansspelautomaten toegestaan.
In laagdrempelige inrichtingen of het laagdrempelige
deel van een samengestelde inrichting zijn
kansspelautomaten niet toegestaan.
4.Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en
baldadigheid
4.Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de
Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek
toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
behorend erf te betreden.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk
lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een
voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal
behorend erf te betreden.
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in
de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
is.
4.Artikel 2:42 Plakken en kladden
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
roerende of onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar
is te bekrassen of te bekladden.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op
andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen
of te doen aanbrengen.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen
van meningsuitingen en bekendmakingen.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden
te gebruiken voor bet aanbrengen van handelsreclame.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen
van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking
mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
bekendmakingen.
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
4.Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of
bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk,
teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.
Dit verbod is niet van toepassing, als de genoemde
materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn
bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
4.Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen
te vervoeren of bij zich te hebben.
Dit verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen
niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig
de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,
onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal
door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van
sporen te voorkomen.
4.Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.
(vervallen)
4.Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. (vervallen)
4.Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare
plaatsen
Het is verboden:
op een openbare plaats te klimmen of zich te
bevinden op een beeld, monument, overkapping,
constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig,
hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair
en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat
aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg
gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt
veroorzaakt.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van
het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de
Wegenverkeerswet 1994.
4.Artikel 2:47a Verstoring van de openbare orde
Het is verboden op of aan de openbare weg, op een voor het
publiek toegankelijk sportterrein of in een voor het publiek
toegankelijk bouwwerk op enigerlei wijze de orde te
verstoren, zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te
vallen of te vechten.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
artikel 424 of 426 bis van het Wetboek van Strafrecht.
4.Artikel 2:47b Vermommingen
4.Het is verboden zich vermomd of op een andere wijze onherkenbaar
gemaakt op de weg of een andere voor publiek toegankelijke plaats te
bevinden met het kennelijke doel herkenning te voorkomen bij
verstoring van de openbare orde.
4.Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank
te nuttigen of flessen, blikjes en dergelijke met
alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder
a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de
Drank- en Horecawet;
door het college aangewezen plaatsen.
4.Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
Het is verboden:
zich zonder redelijk doel in een portiek, poort of
onder een overkapping op te houden;
zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn
of een drempel van een gebouw te zitten of te
liggen;
zich zonder redelijk doel op te houden op het
terrein van een school, bedrijf of instelling buiten
de schooltijd of werktijd van het bedrijf of de
instelling.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke
meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek
toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te
bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde
ruimte van zo'n gebouw.
4.Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek
toegankelijke ruimten
4.Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
desbetreffende ruimte is bestemd.
4.Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.
(vervallen)
4.Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt,
kermisterrein e.d. (vervallen)
4.Artikel 2:53 Bespieden van personen (vervallen)
4.Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur
4. (vervallen)
4.Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren
4. (vervallen)
4.Artikel 2:56 Alarminstallaties
4. (vervallen)
4.Artikel 2:57 Loslopende honden
1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die
hond te laten verblijven of te laten lopen:
binnen de bebouwde kom op de weg met uitzondering van parken
en plantsoenen zonder dat die hond aangelijnd is, tenzij
anders is aangegeven;
buiten de bebouwde kom zonder toezicht of geleide;
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide
of op een andere door het college aangewezen plaats;
in op enigerlei wijze als zodanig aangegeven natuurgebieden
en de particuliere terreinen die daarbinnen liggen, tenzij
anders is aangegeven, zonder dat die hond aangelijnd
is;
op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een
ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk
doet kennen.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is
niet van toepassing op door het college aangewezen
plaatsen.
De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b
gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een
hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
of sociale hulphond laat begeleiden of als een
eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar
gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale
hulphond.
4.Artikel 2:58 Verontreiniging door honden, paarden en
pony’s
De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te
zorgen dat de uitwerpselen van de hond in de openbare ruimte
binnen de bebouwde kom meteen worden opgeruimd.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of
houder van een hond:
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
of sociale hulphond laat begeleiden; of
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
geleidehond of sociale hulphond.
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd
bepaalde plaatsen aan te wijzen waar de in lid 1 gestelde
verplichting niet van toepassing is.
De eigenaar, houder of berijder van een paard of pony is
verplicht ervoor te zorgen dat in de openbare ruimte, voor
zover gelegen binnen de bebouwde kommen van de gemeente
Achtkarspelen, de uitwerpselen van het paard of de pony
worden opgeruimd.
4.Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
Als het college een hond in verband met zijn gedrag
gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar
of houder van die hond een aanlijngebod of een
aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die
hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op
het terrein van een ander.
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder
verplicht is de hond aangelijnd te houden met een
lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband,
van ten hoogste 1,50 meter.
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder
verplicht is de hond voorzien te houden van een
muilkorf die:
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
beide stoffen;
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals
is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens
niet mogelijk is; en
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de
bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
aanwezig zijn.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid
onder e, dient een hond als bedoeld in het eerste lid
voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op
aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van
een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
4.Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke
dieren
1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of
opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid
aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de
Wet milieubeheer bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide
dieren:
aanwezig te hebben;
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die
aanwijzing is aangegeven; of
te voeren.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende
zaak gelegen binnen plaats die een krachtens het
eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van
een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
4.Artikel 2:61 Wilde dieren
4. (vervallen)
4.Artikel 2:62 Loslopend vee
De rechthebbende op vee of pluimvee dat zich bevindt in een
aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg
is afgescheiden door een deugdelijke (pluim)veekering, is
verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen
getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Het is verboden vee zonder voldoende toezicht op of aan een
weg te hebben of te doen verblijven of zonder voldoende
begeleiding over de weg te vervoeren of te verweiden.
(Pluim)vee, dat onbeheerd wordt aangetroffen kan worden
overgebracht naar een door het college te bepalen plaats en
aldaar worden bewaard op kosten van de eigenaar.
Als in bewaring gesteld (pluim)vee, als bedoeld in het derde
lid, niet binnen een termijn van een week, gerekend vanaf de
dag van inbewaringstelling, door de eigenaar is opgevorderd,
brengt het college deze bewaring door publicatie in een of
meer plaatselijk verschijnende nieuwsbladen ter openbare
kennis.
Als de eigenaar het (pluim)vee niet binnen een week na de in
het vierde lid bedoelde publicatie heeft gevorderd, wordt
dit in het openbaar verkocht. Na aftrek van de kosten van
bewaring en publicatie wordt de opbrengst gedurende de
wettelijke termijn van verjaring ter beschikking van de
eigenaar gehouden.
In afwijking van het bepaalde in het vierde en vijfde lid
zijn burgemeester en wethouders na het verstrijken van de
termijn, als bedoeld in het vierde lid, eveneens gerechtigd
over te gaan tot openbare verkoop van het (pluim)vee als
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de waarde van het
vee ontoereikend is om hieruit de kosten van bewaring en
publicatie te voldoen.
4.Artikel 2:63 Duiven
4.Het is de rechthebbende op duiven verboden deze te laten
uitvliegen, indien het college hem schriftelijk heeft meegedeeld,
dat zij dit in verband met de plaats waar de duiven worden gehouden
hinderlijk voor de omgeving achten.
4.Artikel 2:64 Bijen
Het is verboden bijen te houden:
binnen een afstand van dertig meter van woningen of
andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
binnen een afstand van dertig meter van de weg.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op
een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of
kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte
of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en
invliegen van de bijen te voorkomen.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
ontheffing verlenen.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
tijdig beslissen) niet van toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod
geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de
woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.
Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod
geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement.
4.Artikel 2:65 Bedelarij (vervallen)
4.Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling
van goederen
4.Artikel 2:66 Begripsbepaling (vervallen)
4.Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
verkoopregister (vervallen)
4.Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in art. 437ter Wetboek
van Strafrecht (vervallen)
4.Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
(vervallen)
4.Afdeling 13 Vuurwerk
4.Artikel 2:71 Begripsbepalingen
4.In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
4.Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
tijdens de ...................verkoopdagen
(vervallen)
4.Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
jaarwisseling
Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door
het college in het belang van de voorkoming van gevaar,
schade of overlast aangewezen plaats.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats
te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan
veroorzaken.
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
Strafrecht.
4.Artikel 2:73a Gebruik van carbid
Het is verboden carbidgas tot ontploffing te brengen in een
al dan niet afgesloten vat, bus, fles, ballon of een ander
soortgelijk voorwerp.
Het is een ieder verboden op of aan de openbare weg carbid
bij zich te hebben, tenzij aannemelijk is dat dit voor
bedrijfsdoeleinden noodzakelijk is.
Het is verboden een vat, bus, fles of dergelijk voorwerp bij
zich te hebben indien dit kennelijk geschiedt met het doel
te worden gebruikt om carbidgas of een ander soort gas mee
tot ontploffing te brengen.
De verboden gesteld in lid 1, 2 en 3 gelden niet
indien:
gebruik wordt gemaakt van melkbussen en/ of
dergelijke voorwerpen met een maximale inhoud van 50
liter, met gebruikmaking van acetyleengas afkomstig
van een reactie tussen calcium acetylide (carbid) en
water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen
en
het gebruik plaatsvindt op 31 december van 10.00 uur
tot 1 januari 02.00 uur en
de plaats vanwaar geschoten ligt gelegen is:
op een afstand van tenminste 75 meter van
woonbebouwing en
op een afstand van tenminste 300 meter van in
gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van
dieren.
Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet
Milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet
milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke
stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing
is.
4.Afdeling 14 Drugsoverlast
4.Artikel 2:74 Drugshandel op straat
4.Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
4.Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke
plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als
bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te
dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te treffen of ten behoeve
van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding,
veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op
.................openbare
plaatsen
Hoofdstuk 2 › Afdeling 8
Artikel 2:30
Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening
Verwijzingen
- artikel 13b van de Opiumwet
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- artikel 174a van de Gemeentewet
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 424
- Artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 30
- Artikel 2
- artikel 437
- Artikel 2
- artikel 174 van de Gemeentewet
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 429
- Artikel 2
- artikel 424
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2