Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4: › Paragraaf 2

Artikel 16

Spreekrecht burgers

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies 2015

1.. Na de opening van de vergadering kunnen andere aanwezige burgers gezamenlijk gedurende maximaal dertig minuten het woord voeren over onderwerpen die de commissie aangaan. Betreft het een onderwerp als geagendeerd onder onderdeel C-1/C-2 van de agenda, dan bestaat de mogelijkheid om vooraf aan het betreffende agendapunt in te spreken. 2.. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd. 3.. Het woord kan niet gevoerd worden over: een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan; benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend. de ontwerpbesluitenlijst van de vorige vergadering. 4.. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 5.. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. 6.. De leden van de commissie voeren over de inbreng van de burger in de vergadering geen onderling overleg; ook treden zij niet in discussie met de inspreker. Wel kan aan de burger een toelichting worden gevraagd op hetgeen hij/zij heeft verkondigd. De voorzitter doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de burger.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel