lid 1 – veilige plaats
De rookvrije vluchtroute dient naar het aansluitende terrein te leiden en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend.
Bron: Bouwbesluit 2003, artikel 2.154 – bestaande bouw / artikel 2.161 – nieuwbouw
Als de openbare weg gelet op de ligging van het pand niet bereikbaar is, moet een mate van veiligheid worden geboden die ten minste gelijk is aan de mate van veiligheid die is beoogd met het bedoelde in sub a, e.e.a. ter beoordeling van de gemeente.
lid 2 – twee onafhankelijke vluchtroutes
Ter plaatse van de toegang van een subbrandcompartiment beginnen ten minste twee rookvrije vluchtroutes die nergens samenvallen.
Bron: Bouwbesluit 2003, artikel 2.157 – niveau nieuwbouw
Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan als iedere onzelfstandige woonruimte op een andere wijze dan via het trappenhuis kan worden verlaten.
Toelichting:
Het verlaten van de onzelfstandige woonruimte kan dan plaatsvinden door een beweegbaar constructiedeel (voor een raam geldt de afmeting van 50 x 80 cm, maximaal 1 meter boven de vloer) van de begane grond en de 1e verdieping. Uitgangspunt hierbij is dat de verdiepingsvloer van de 1e verdieping niet hogermag zijn dan 5 meter ten opzichte van het aansluitende terrein.Bij de hoger gelegen verdiepingen moet gebruik worden gemaakt van een vluchtladder of kooiladder. Voor de vluchtladder geldt dat dit een vaste ladder moet zijn waarbij men kan afdalen tussen de ladder en de gevel of dat deze is voorzien van een deugdelijke zijgeleiding. De ladder dient op een veilige wijze bereikt kunnen worden.
In afwijking van a. kan worden volstaan met één vluchtroute (niet zijde een trappenhuis)
als:
Het samenvallende gedeelte aan niet meer dan één ander subbrandcompartiment grenst,
en
De toegang van het subbrandcompartiment en de toegang van het andere
subbrandcompartiment tegenover elkaar liggen, en
Het samenvallende gedeelte niet langs een beweegbaar constructie-onderdeel voert
tenzij dit onderdeel uitmaakt van het andere subbrandcompartiment.
Bron: Bouwbesluit 2003, artikel 2.157 - niveau nieuwbouw
In afwijking van a. kan worden volstaan met één vluchtroute als dit een trappenhuis is en:
De totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties die zijn aangewezen op dat trappenhuis niet groter is dan 800 m2, geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 12,5 meter, geen van de woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m2 en iedere wooneenheid beschikt over een tweede gelegenheid tot ontkoming (een raam met aansluitend kunnen springen, of een kooi-/vluchtladder naar de begane grond), of
Op dat trappenhuis niet meer dan zes woonfuncties zijn aangewezen, waarvan geen
vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 6 meter boven meetniveau, of
Het trappenhuis een veiligheidstrappenhuis is.
Bron: Bouwbesluit 2003, artikel 2.157 niveau nieuwbouw
lid 3 – rookdichtheid vluchtroutes
De rookproductie van ieder constructieonderdeel (m.u.v. 5%) gelegen in een vluchtroute mag geen grotere rookdichtheid hebben dan:
2,2 m-1 indien het materiaal of de bouwconstructie behoort tot klasse 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting, en
5,4 m-1 indien het materiaal of de bouwconstructie behoort tot klasse 1 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
Bron: Bouwbesluit 2003, artikel 2.126 - niveau nieuwbouw
lid 4 – rookdichtheid overige ruimten
De rookproductie van ieder constructieonderdeel (uitgezonderd vloeren, hellingbanen en trappen) in de overige ruimten binnen het gebouw (m.u.v. 5%) mag geen grotere rookdichtheid hebben dan
10 m-1.
Bron: Bouwbesluit 2003, artikel 2.126 - niveau nieuwbouw
lid 5 – vluchtroute aanduiding
Een anti-kraak pand waarin 10 of meer personen kunnen worden gehuisvest, moet, opdat de bewoners op veilige wijze kunnen vluchten, zijn voorzien van vluchtroute aanduidingen (transparanten) die tenminste voldoen aan NEN 6088 en die zijn aangesloten op een noodstroomvoorziening.