Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 3

Artikel 3.7

- Vluchtroutes en (nood)uitgangen

Onderdeel van Beleidsregel anti-kraak

1.. De vluchtroutes moeten altijd over de minimaal vereiste breedte van 60 cm zijn vrijgehouden van obstakels. Dit geldt eveneens voor het als verlengstuk van de vluchtroutes aan te merken gedeelte van het aansluitend terrein. 2.. Op de vloeren van de vluchtroutes zijn losliggende leidingen en snoeren niet toegestaan. 3.. Een (nood)uitgangsdeur moet bij aanwezigheid van personen in het anti-kraak pand uitsluitend zodanig zijn gesloten, dat de (nood)uitgangsdeur van binnen uit ogenblikkelijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. 4.. Waar op de bij de exploitatievergunning anti-kraak pand behorende tekening(en) als zodanig is aangegeven, moet duidelijk zichtbaar het opschrift: "NOODDEUR VRIJHOUDEN" en/of "NOODUITGANG" zijn aangebracht met ten minste 8 centimeter hoge letters, volgens NEN 3011, uitgave 1986.

Rechtspraak bij dit artikel