Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 7

Gedragingen Participatiewet

Onderdeel van Afstemmingsverordening ISD BOL 2015

Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende verrichten van een door het Dagelijks Bestuur opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende nakomen van een door het Dagelijks Bestuur opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet. Indien de schending van de verplichting tot arbeidsinschakeling ook een schending van de verplichting, zoals bedoeld in artikel 25 lid 4 van de Wet Inburgering (geldende op 31 december 2012) inhoudt, verlaagt het Dagelijks Bestuur de bijstand. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. indien de schending van de verplichting tot arbeidsinschakeling ook een schending van de verplichting, zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 van de Wet Inburgering (geldende op 31 december 2012) of artikel van de verordening Wet Inburgering inhoudt, verlaagt het Dagelijks Bestuur de bijstand. vierde categorie indien de schending van de verplichting tot arbeidsinschakeling ook een schending van de verplichting, zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 of artikel 31 lid 2 van de Wet Inburgering (geldende op 31 december 2012) inhoudt, verlaagt het Dagelijks Bestuur de bijstand met vijftig procent voor de duur van 1 maand. indien de schending van de verplichting tot arbeidsinschakeling ook een schending van de verplichting, zoals bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de Wet Inburgering (geldende op 31 december 2012) inhoudt, verlaagt het Dagelijks Bestuur de bijstand met honderd procent voor de duur van 1 maand.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel