Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › § 2.2

Artikel 15.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Handhavings- en maatregelenverordening inkomensvoorzieningen 2015

1.. Indien belanghebbende blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, lid 2, van de PW, wordt de maatregel afgestemd op de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer dan wel een groter beroep op bijstand moet doen. 2.. Onverminderd artikel 2, lid 2, van de verordening bedraagt de maatregel bij periodieke algemene en/of bijzondere bijstand: 30 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode van 3 maanden of korter; 30 % van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden bij een periode van 4 t/m 6 maanden; 30 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden bij een periode van 7 t/m 12 maanden; 30 % van de bijstandsnorm gedurende 6 maanden bij een periode van 13 t/m 24 maanden; 30 % van de bijstandsnorm gedurende 12 maanden bij een periode van 25 t/m 36 maanden; 30 % van de bijstandsnorm gedurende 24 maanden bij een periode langer dan 36 maanden; 100 % van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden bij het voorafgaand aan de bijstandsaanvraag door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid met dien verstande dat bij het niet behouden van arbeid van geringe omvang de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld naar de mate waarin belanghebbende inkomen heeft verloren; 3.. Onverminderd artikel 2, lid 2, van de verordening bedraagt de maatregel bij incidentele bijzondere bijstand het bedrag waarop recht zou bestaan bij geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid alsmede geen aanspraak op een tegemoetkoming in het kader van een voorliggende voorziening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel