Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 8.

Verplichtingen met betrekking tot de invordering van niet-fraude vorderingen

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering en verhaal Participatiewet Heemstede 2015

1.. Voor belanghebbende met een lopende uitkering bij de Intergemeentelijke afdeling sociale zaken (IASZ) wordt de betalingsverplichting geïncasseerd door middel van inhouding op de maandelijks verleende uitkering voor levensonderhoud en op grond van artikel 6:127 van het BW. 2.. De hoogte van de inhouding bedraagt maandelijks 6% van de betreffende bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, tenzij de cliënt verzoekt een hoger bedrag in te houden.* 3.. Bij beëindiging van de uitkering worden alle vorderingen ineens opgeëist. Hierbij vindt verrekening met het vakantiegeld plaats (artikel 60, derde lid van de Participatiewet). 4.. Als blijkt dat betrokkene de schuld niet ineens kan voldoen, kan hij verzoeken om een ander aflossingsbedrag. 5.. In beginsel worden alle vorderingen binnen 36 maanden afgelost met een bedrag van minimaal € 20,00 per maand. Als vorderingen niet binnen 36 maanden kunnen worden afgelost, stellen burgemeester en wethouders jaarlijks een onderzoek in naar de hoogte van het inkomen teneinde een aflossingscapaciteit vast te stellen voor de duur van 12 maanden. 6.. Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het invorderingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting. Het aflossingsbedrag, dat onderling is overeengekomen, geldt als een betalingsregeling. 7.. Een netto-vordering wordt in deze gevallen altijd met de hoogste prioriteit afgelost ter voorkoming dat uitvoering moet worden gegeven aan artikel 58, vijfde lid van de Participatiewet en artikel 25, vijfde lid van de IOAW en IOAZ.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel