Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 8.

Tegenprestatie

Onderdeel van Participatieverordening Lelystad 2015

1.. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en niet leiden tot verdringing. 2.. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 3.. De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur 6 maanden, voor een minimaal aantal van 8 uur per week 4.. Vrijgesteld van de plicht tot tegenprestatie is: de belanghebbende die op het moment van aanvraag voor een uitkering voor ten minste acht uur per week vrijwilligerswerk verricht, waarvoor toestemming is verkregen van het college; de belanghebbende die deelneemt aan activiteiten ingevolge artikelen 4 tot en met 12 de belanghebbende die zorgtaken verricht als mantelzorger conform artikel 1 Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 voor ten minste acht uur per week. De uren kunnen op basis van individuele omstandigheden lager vastgesteld worden.; alleenstaande ouders die vrijstelling van de arbeidsplicht hebben in verband met de zorg voor (een) kind(eren) in de leeftijd tot 5 jaar; de belanghebbende die duurzaam volledig arbeidsongeschikt is; 5.. Het college bepaalt op welke wijze dient te worden aangetoond dat sprake is van een vrijstellingsgrond als bedoeld in het voorgaande lid.

Rechtspraak bij dit artikel