Naar hoofdinhoud

Artikel 1.

Begripsomschrijvingen.

Onderdeel van Verordening eigen bijdrage maatschappelijke en vrouwenopvang

Lid a t/m e. In de begripsomschrijvingen a t/m d wordt een viertal voorzieningen voor maatschappelijke opvang omschreven. In de verordening wordt het onderscheid gemaakt tussen de voorzieningen voor residentiële opvang enerzijds en de niet-residentiële voorzieningen zoals blijf-van-mijn-lijfhuizen, voorzieningen voor begeleid wonen en passantenverblijven anderzijds. Een voorziening voor residentiële opvang biedt onderdak, slaapgelegenheid, voeding en begeleiding bij psychosociale en/of maatschappelijke problemen, terwijl de overige voorzieningen genoemd in de verordening elk een beperkter en (onderling) verschillend aanbod heeft. Veel voorzieningen voor maatschappelijke opvang zoals een centrum voor crisisopvang, een sociaal pension, een vrouwenopvangcentrum of een internaat voor dak- en thuislozen, vallen in de regel onder de noemer van residentiële opvang. Deze voorzieningen worden in de verordening derhalve niet apart benoemd. Of de cliënt nu in een centrum voor crisisopvang of in een internaat verblijft (beide zijn voorzieningen voor residentiële opvang) is niet relevant voor de bepaling van de eigen bijdrage die verschuldigd is. De wijze waarop de hoogte van de eigen bijdrage bepaald wordt is immers bij verblijf in beide voorzieningen gelijk. De overige voorzieningen worden apart benoemd omdat de hoogte van de eigen bijdrage per voorziening zal verschillen. Met het begrip voltijdsverblijf wordt gedoeld op een product binnen een voorziening. Het gaat hier alleen om het bieden van onderdak gedurende 24 uur per dag. Begeleiding, het aanbieden van zorg of voeding zijn andere producten die geboden kunnen worden binnen een voorziening. Alle voorzieningen die gedurende 24 uur verblijfsruimte aanbieden, bieden het product voltijdsverblijf aan de cliënt.

Rechtspraak bij dit artikel