Aan commissieleden wordt een vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een commissie en haar subcommissies toegekend die gelijk is aan het voor de van toepassing zijnde inwonersklasse vastgestelde bedrag in tabel IV van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.
In afwijking van het eerste lid ontvangt geen vergoeding degene die zitting heeft in een commissie uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd;
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die als commissielid een vaste vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 96, tweede lid van de Gemeentewet ontvangt.
Indien de raad, college of burgemeester of grond van artikel 83 en 84 van de Gemeentewet een bestuurs- of andere commissie instelt, wordt in de verordening tot instelling van de commissie de vergoeding van de leden geregeld. Hierbij kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een hogere vergoeding worden vastgesteld ten aanzien van:
a. een commissielid die op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en
b.een commissielid ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid.
Hoofdstuk II
Artikel 3
Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen
Onderdeel van Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2015