**1..** Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in het vierde
lid van dit artikel en artikel 33 van deze verordening, dan
wordt een verlaging van de uitkering opgelegd die wordt
afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
**2..** De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende
wijze vastgesteld:
10% van het benadelingsbedrag als dit gelijk of lager is
dan € 4.000,00;
20% van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan €
4.000,00.
**3..** Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de
verlaging 20% van de uitkering gedurende één maand.
**4..** Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van
een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het
verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan
wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden
opgelegd van 100%. Deze bepaling geldt alleen voor de
P-wet.
**5..** Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor bijzondere
bijstand geen gebruik maakt van een voorliggende voorziening,
die gezien haar aard passend en toereikend is voor de soort
kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, wordt de
bijzondere bijstand verlaagd met het bedrag waarin de
voorliggende voorziening zou hebben voorzien.
**6..** Als toepassing van het vierde lid leidt tot onbillijkheden wordt
toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48, tweede lid,
onder b, P-wet en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van
een geldlening voor de duur van het eerder dan wel langer
bijstandsafhankelijk zijn.
Paragraaf 3: › Paragraaf 3.2.3
Artikel 32:
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015