Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 8

Voorwaarden voor betrekken van Jeugdhulp van een persoon die behoort tot het sociale netwerk

Onderdeel van Beleids- en nadere regels jeugdhulp 2015

Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen en buren, vrienden of kennissen. Er sprake is van een langdurige, omvangrijke en frequente ondersteuningsvraag. Er kan gemotiveerd worden aangetoond dat de inzet van het PGB leidt tot een betere en effectievere ondersteuning die aantoonbaar doelmatig is. De motivatie wordt onderbouwd door een door de aanvrager opgesteld budgetplan. Het PGB kan niet worden ingezet voor behandeling en kortdurend verblijf door een persoon behorende tot het sociaal netwerk. Als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, beschikt deze persoon over de desbetreffende kwalificatie. De persoon, behorende tot het sociaal netwerk, heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt. De persoon, behorende tot het sociaal netwerk, is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van personen die in hun opdracht beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie de jeugdhulpaanbieder jeugdhulp verleent. Een verklaring is niet eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene is gaan werken voor de aanvrager. De kwaliteit van de voorziening moet voldoende zijn om de gestelde doelen in het hulpverleningsplan te kunnen realiseren. De geleverde voorziening wordt afgestemd met de persoonlijke situatie van de aanvrager en eventuele andere vormen van hulp/zorg in het gezin. De kwaliteit van hulp moet in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend en zijn afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige. De persoon, behorende tot het sociale netwerk, doet melding van iedere calamiteit of geweld die bij de verlening van jeugdhulp of bij de uitvoering ervan plaatsvindt. De persoon stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te oefenen.

Rechtspraak bij dit artikel