Hij die ophoudt raadslid te zijn, op het tijdstip als in artikel 1 bedoeld, heeft tenzij hij zonder onderbreking weer als zodanig optreedt met ingang van de dag van aftreding gedurende twee jaren recht op uitkering, voor zover hij alsdan niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Als onderbreking wordt niet beschouwd de tijd, gedurende welke het raadslid tevens lid van het college van burgemeester en wethouders is, met dien verstande dat deze tijd niet meetelt voor de berekening van de uitkering. In afwijking hiervan bestaat geen recht op uitkering, indien belanghebbende korter dan één jaar raadslid is geweest.