Het college kan naar vermogen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:
naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding naar de arbeidsmarkt;
niet in de weg staan aan acceptatie van arbeid of re-integratie;
niet zijn bedoeld als re-integratie instrument;
worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
Hoofdstuk 6. › Paragraaf 1.
Artikel 38.
Inhoud van de tegenprestatie
Onderdeel van Verordening op het sociaal domein Kaag en Braassem 2014