Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 71.

Overgangsrecht

Onderdeel van Verordening op het sociaal domein Kaag en Braassem 2014

1.. Voor inwoner(s), zoals jeugdigen en/of hun (pleeg)ouders die op het moment van inwerkingtreding van de Jeugdwet en deze verordening al een verwijzing in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of een indicatiebesluit in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of de Wet op de jeugdzorg (Wjz) hebben, is het overgangsrecht van toepassing als bedoeld in artikel 10.1, 10.2 en 10.3 van de Jeugdwet. 2.. Wanneer sprake is van overgangsrecht is het college er voor verantwoordelijk dat de jeugdige de jeugdhulp kan voortzetten bij dezelfde aanbieder, indien dit redelijkerwijs mogelijk is. Daarbij geldt dat deze verwijzingen en indicatiebesluiten maximaal een jaar na inwerkingtreding van de Jeugdwet blijven gelden. 3.. In afwijking van het tweede lid geldt in geval sprake is van een indicatiebesluit waarin is vastgelegd dat de jeugdige aangewezen is op pleegzorg, geen tussentijdse einddatum voor de rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan dit besluit jegens het college. 4.. Aanspraken op zorg en afgegeven indicatiebesluiten op basis van de AWBZ worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de Wmo. 5.. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Kaag en Braassem, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen, waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt wordt ingetrokken. Hierbij wordt een redelijke overgangstermijn in acht genomen. 6.. Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening, zoals genoemd in lid 5 van dit artikel, en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van de verordening Sociaal domein, worden afgehandeld krachtens de verordening Sociaal domein. 7.. Op bezwaarschriften, gericht tegen een besluit op grond van de verordening, zoals genoemd in lid 5 van dit artikel, wordt beslist met inachtneming van de betreffende verordening op basis waarvan het besluit is genomen. 8.. Een persoon die gebruik maakt van een op grond van de Reintegratie-verordening Gemeente Kaag en Braassem toegekende voorziening behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit die verordening, zoals de betreffende verordening luidde voor 1 januari 2015. 9.. Indien er sprake is van een gedraging die betrekking heeft op een uitkeringsperiode voor inwerkingtreding van deze verordening en het van kracht worden van de Participatiewet, is de opgelegde maatregel in ieder geval niet zwaarder dan op grond van de ingetrokken verordening van toepassing zou zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel