Het college vordert bijstand terug van de belanghebbende op basis van artikel 25 lid 1 en 2 van de
IOAW en IOAZ en op basis van artikel 58 lid 1 en 2 Participatiewet voor zover deze bijstand:
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijknakomen van de inlichtingenverplichting, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid Participatiewetof artikel 30c tweede en derde lid van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie werk eninkomen (Wet SUWI);
in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiendeverplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
voortvloeit uit gestelde borgtocht;
bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;
anderszins onverschuldigd is betaald en de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnenbegrijpen;
is verleend als Bbz-lening en het bedrijf of zelfstandig beroep is beëindigd en er is nietvoldaan aan de verplichtingen;
anderszins onverschuldigd is betaald omdat:
de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand isverleend, over in aanmerking te nemen middelen is komen te beschikken of kan beschikken;
de bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door debelanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op diebestemming;
HOOFDSTUK 3:
Artikel 3:1
– Terugvordering onverschuldigd verleende bijstand
Onderdeel van Beleidsregels Terugvordering 2015