Het onderzoek van de geloofsbrieven en van de overige door de Kieswet geëiste stukken vaneen tot lid van de raad benoemde, geschiedt door een commissie bestaande uit drie ledenvan de raad, daartoe door de voorzitter aangewezen. Bij tussentijdse benoeming zal in dezecommissie geen lid zitting hebben, behorende tot de fractie van het nieuw benoemde lid.
De commissie, bedoeld in het eerste lid, brengt bij monde van een door haar daartoe uit haarmidden aangewezen lid, zo mogelijke staande de vergadering verslag uit van het onderzoek.Daartoe doet de commissie aan de raad een voorstel omtrent de toelating van de tot lid vande raad benoemde.
De raad besluit daarna in dezelfde vergadering over de toelating van de benoemde, of, indienuitstel nodig wordt geacht, op een daartoe door de raad op voorstel van de voorzitter tebepalen tijdstip.
Nadat de commissie verslag heeft uitgebracht wordt zij ontbonden.
De voorzitter roept vervolgens het toegelaten lid op om de voorgeschreven eed of belofte af teleggen.
In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lidvan de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist omde voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.
Het onderzoek van het proces verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatstesamenkomst van de raad in oude samenstelling na de verkiezingen.
Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in deeerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van deGemeentewet, de voorgeschreven eed of belofte af te leggen.
HOOFDSTUK 2
Artikel 5
Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders
Onderdeel van Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2015