Het is, behoudens goed zeemanschap, verboden om in de havens en
het gemeentelijk vaarwater
een anker te gebruiken om een vaartuig af te
stoppen;
met een krabbend anker te varen;
ten anker te komen of ten anker te liggen.
De in het eerste lid gestelde verboden gelden niet voor
vaartuigen die baggeren, indien de ankers noodzakelijk zijn voor
het verrichten van het baggerwerk en daarvoor door het college
ontheffing is verleend conform artikel 2.14 lid 2 van deze
verordening.
De in het eerste lid gestelde verboden gelden niet wanneer;
de ligplaats wordt genomen in een boeienspan of een
palenligplaats; of
dit geschiedt door een drijvende kraan, zeker is gesteld dat
gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de
onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of
oever- of kadeverdedigingswerken en het voornemen daartoe
overeenkomstig het vierde en vijfde lid is gemeld.
Het voornemen om een anker te gebruiken als bedoeld in het derde
lid, onder b, wordt gemeld aan de havenmeester.
De melding bedoeld in het vierde lid vindt plaats per telefoon,
per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per
e-mail.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
ontheffing of vrijstelling verlenen.