**1..** Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende de referteperiode het gemiddelde inkomen per maand niet uitkomt boven 101% van de uitkeringsnorm op basis van de wet.
**2..** Ten aanzien van perioden waarin een rechthebbende is uitgesloten van het recht op bijstand wordt een rechthebbende voor de toepassing van het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben ter hoogte van 100% van de norm op basis van de wet.
**3..** Ten aanzien van perioden waarin bij gehuwden één echtgenoot is uitgesloten van het recht op uitkering op grond van de wet worden zij voor de toepassing van het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben ter hoogte van 100% van de gehuwdennorm, waarbij voor “bijstandsnorm” gelezen moet worden “gehuwdennorm”.
**4..** Geen recht op de individuele inkomenstoeslag hebben personen die op de peildatum of in de referteperiode een uitkering op grond van de Wet op de Studiefinanciering of de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten hebben genoten.
**5..** De Referteperiode kan voor het eerst aanvangen als de aanvrager de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
**6..** Geen recht op een individuele inkomenstoeslag bestaat indien aanvrager onderdeel uitmaakt van een huishoudsituatie anders als bedoeld in artikel 21 sub b van de wet of aanvragers als bedoeld in artikel 21 sub b van de wet andere personen hebben inwonen, waardoor de kostendelersnorm wordt toegepast. In uitzonderlijke situaties kan van toepassing van dit lid worden afgeweken.
Hoofdstuk 2.
Artikel 3.
Langdurig, laag inkomen
Onderdeel van Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015 gemeente Drimmelen