1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening als
bedoeld in artikel 3 en 4 wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening
in natura of als pgb wordt verstrekt, welke afspraken met de jeugdige en/of
zijn ouders zijn gemaakt, en hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden
gemaakt.
2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 wordt, ingeval een voorziening in
natura wordt verstrekt, in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat
daarvan is;
b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
c. hoe de voorziening wordt verstrekt; en indien van toepassing:
d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 wordt, ingeval een voorziening in de
vorm van een pgb wordt verstrekt, in de beschikking in ieder geval
vastgelegd:
a. waarom voor een pgb is gekozen;
b. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;
c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
d. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en
f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
4. Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of zijn
ouders daarover in de beschikking geïnformeerd.