Naar hoofdinhoud

Artikel 15.

Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Schagen 2015

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Tijdens de ambtelijke voorbereiding van deze verordening ontspon zich naar aanleiding van artikel 15 lid 2 van de verordening de volgende discussie: “In artikel 15 lid 2 van de verordening wordt bepaald dat de pgb of maatwerkvoorziening kan worden ingetrokken als niet voldaan is aan maatwerkvoorziening of pgb verbonden voorwaarden. Waaraan ontleent het college de bevoegdheid tot het verbinden van voorwaarden aan een pgb of maatwerkvoorziening. In de Wmo 2015 is geen artikel te vinden waarin expliciet deze bevoegdheid aan het college wordt toegekend. In de WWB vind je wel zo’n bepaling. Het college wordt in het desbetreffende wetsartikel de bevoegdheid toegekend aan de bijstandsverlening voorwaarden te verbinden die strekken tot beëindiging en vermindering van de bijstand. Een bepaling van die strekking is in de Wmo 20145 niet aangetroffen.” De VNG heeft ter beantwoording van deze vraag het navolgende medegedeeld: “Deze bevoegdheid kan worden ontleend aan artikel 2.3.10 lid 1 sub d Wmo 2015.” Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het besluit tot terugvordering een executoriale titel in de zin van het Tweede Boek van Burgerlijke Rechtsvordering oplevert. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen. De Wmo 2015 in relatie tot de subsidietitel en de titel bestuursrechtelijke geldschulden van de Algemene wet bestuursrecht Tijdens de ambtelijke voorbereiding van deze verordening zijn de twee navolgen punten aan de orde geweest: 1.“In de WVG en Wmo 2007 wordt de toepassing van de subsidietitel in de Awb uitgesloten. Een bepaling van voormelde strekking is in de Wmo 2015 niet aangetroffen. Klopt dit? En zo ja, als het pgb binnen het subsidiebegrip valt, zou je dan intrekkings- en terugvorderingbepalingen van de subsidietitel Awb kunnen toepassen. In voornoemde subsidietilel van de Awb zijn aanzienlijk meer terugvorderingsmogelijkheden dan in de Wmo 2015. Het college kan ook tot terugvordering overgaan als de subsidieverstrekking anderszins onjuist was en de klant dat had kunnen weten. Als het bedrag niet door de belanghebbende wordt terugbetaald, kun je een dwangbevel uitvaardigen. Dus de gang naar de civiele rechter, om een executoriale titel te verkrijgen, hoef je dan niet te maken. In hoeverre klopt deze redenering? 2.“In artikel 2.4.1. van de wet en in art. 15 lid 4 van de modelverordening wordt de terugvordering geregeld. De terugvordering is in de Wmo 2015, in tegenstelling tot de Wmo 2007 en de WVG, wel geregeld. De ruimte tot terugvordering is echter zeer beperkt. Er dient onder meer sprake te zijn van schending van de inlichtingenplicht en die schending moet opzettelijk hebben plaatsgevonden. Terugvordering op andere gronden (er is bijvoorbeeld per abuis als gevolg van een administratieve fout een veel te hoog bedrag aan pgb uitbetaald) is niet mogelijk. Is het toegestaan tegen de achtergrond van de zogenaamde tweewegenleer het per abuis te veel uitbetaalde pgb op grond van onverschuldigde betaling (BW) terug te vorderen en vervolgens, als betrokken niet betaalt, een verzoekschrift bij de bevoegde rechter in te dienen, om zo een executoriale te verkrijgen. Wel is duidelijk dat het beoogde resultaat, namelijk terugvordering van het per abuis teveel uitbetaalde pgb, langs publiekrechtelijke weg niet is bereiken. Dit zou een aanwijzing kunnen zijn dat de privaatrechtelijke weg in dezen wel zal mogen worden bewandeld(zie Windmillarrest).” De VNG heeft hierop het volgende geantwoord: “In het oorspronkelijke wetsvoorstel Wmo 2015 stond inderdaad geen bepaling dat titel 4.2 van de Awb (de subsidietitel) niet van toepassing is op het pgb. Later is dat alsnog ingevoegd, Dat er in eerste instantie voor gekozen was om de subsidietitel wel van toepassing te laten zijn op het pgb was inderdaad ingegeven door de gedachte dat de bepalingen over terugvorderen in titel 4.2 Awb dan gebruikt zouden kunnen worden. Het heeft echter ook nadelen (denk aan de bepalingen over het beëindigen van een al langer lopende subsidierelatie, die zouden dan ook op het pgb van toepassing zijn), die uiteindelijk de doorslag hebben gegeven. De invorderingsmogelijkheden van titel 4.4 Awb zijn helaas beperkter dan die van titel 4.2 Awb. De bevoegdheid om een dwangbevel uit te vaardigen bestaat alleen als zij bij de wet is toegekend (artikel 4:115 Awb). In het geval van de Wmo 2015 dus alleen in het geval van het opzettelijk verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens (artikel 2.4.1 Wmo 2015). Het college kan het besluit op grond waarvan het pgb is verstrekt intrekken in de onder artikel 2.3.10 lid 1 sub a t/m e Wmo 2015 genoemde gevallen. Door de intrekking van het besluit komt de rechtsgrond van de verstrekking te vervallen. Dit kan indien van toepassing met terugwerkende kracht.De terugvordering krachtens artikel 2.4.1 Wmo 2015 is inderdaad beperkt tot de gevallen waarin sprake is van (aantoonbare) opzet. Die beperking vloeit voort uit de executoriale titel die een besluit op grond van artikel 2.4.1 lid 1 oplevert krachtens het tweede lid van dit artikel. In de overige gevallen is titel 4.4 (Bestuursrechtelijke geldschulden) uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Art. 4:85 lid 1 sub b Awb bepaalt dat titel 4.4 van toepassing is op geldschulden die voortvloeien uit een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep”.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel