Artikel 26, eerste lid, van de wet bepaalt dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van rijksbelastingen.
In de Gemeentewet, is voorzien in bepalingen die de op grond van artikel 26 gegeven ministeriële regeling ook van toepassing verklaren voor belastingen en heffingen van gemeenten.
Op grond van artikel 255, tweede lid, van de Gemeentewet volgen de gemeenten het kwijtscheldingsbeleid van de rijksoverheid zoals dat is geregeld in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.
Als gemeenten niets regelen geldt deze ministeriële regeling voor alle gemeentelijke belastingen.
Artikel 255, derde lid, van de Gemeentewet biedt echter de mogelijkheid om van de ministeriële regeling af te wijken indien daartoe door de gemeenteraad een besluit is genomen.
Bij raadsbesluit van 18 december 1997 is vastgelegd, dat in deze gemeente bij verzoeken om kwijtschelding wordt uitgegaan van 100% van de kwijtscheldingsnorm.
De ontvanger verleent gehele of gedeeltelijke kwijtschelding als de belastingschuldige niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar de belastingaanslag te betalen. In het algemeen zal van buitengewoon bezwaar sprake zijn als de middelen om een belastingaanslag te betalen ontbreken en ook niet binnen afzienbare tijd worden verwacht.
Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend indien de belastingschuldige niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar de belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen.
In het algemeen zal van buitengewoon bezwaar sprake zijn als de middelen om een belastingaanslag te betalen ontbreken en evenmin binnen afzienbare tijd kan worden verwacht.
Kwijtschelding is een onherroepelijke maatregel waardoor de schuldvordering van de gemeente, in dit geval dus de belastingaanslag, met het bedrag van de kwijtschelding wordt verminderd.
De op artikel 26 van de Invorderingwet 1990 gebaseerde regels op grond waarvan aan een belastingschuldige kwijtschelding kan worden verleend, zijn vastgelegd in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.
In die Uitvoeringsregeling is vastgelegd onder welke voorwaarden aan een belastingschuldige al dan niet kwijtschelding wordt verleend.
Hiermee is voor de belastingschuldige de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gewaarborgd.
Als hij voldoet aan de voorwaarden waaronder kwijtschelding kan worden verleend, moet hem die ook worden gegeven, tenzij een gemeentelijke belastingverordening het verlenen van kwijtschelding uitdrukkelijk uitsluit.
Kwijtscheldingsbeleid is geen statisch afgerond geheel, maar zal zoveel mogelijk moeten aansluiten op de maatschappelijke ontwikkelingen met inachtneming van het gevoerde rijksinkomensbeleid.
In deze leidraad wordt een beleidsmatige uitwerking van genoemde regels weergegeven.
Als de belastingschuldige voldoet aan alle voorwaarden voor kwijtschelding, dan moet de invorderingsambtenaar die ook verlenen. Bij de behandeling van een verzoek om kwijtschelding maakt de invorderingsambtenaar onderscheid naar het soort belastingschuldige dat het verzoek indient en naar het middel waarvoor kwijtschelding wordt gevraagd.
De heffingsrente die in de belastingaanslag is begrepen, de revisierente en de bestuurlijke boeten worden bij de behandeling van het verzoek om kwijtschelding gelijkgesteld met de belastingen waarmee zij samenhangen.
Als een aansprakelijkgestelde een verzoek tot kwijtschelding indient, gelden er afwijkende regels.
Een verzoek tot kwijtschelding moet aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Tijdens de behandeling van het verzoek om kwijtschelding neemt de invorderingsambtenaar geen maatregelen voor dwanginvordering.
Kwijtschelding kan worden verleend voor:
onroerende-zaakbelastingen
afvalstoffenheffing
rioolheffing
hondenbelasting
parkeergeld voor een gereserveerd parkeervak voor gehandicapten,
voor zover de betreffende belastingaanslagen zijn opgelegd door de gemeente Bergen op Zoom.
Voor andere belastingaanslagen of voor bij wege van factuur door de gemeente geheven fiscale heffingen wordt geen kwijtschelding verleend.
Onder bepaalde voorwaarden is ook kwijtschelding van betaalde belastingaanslagen (privé en zakelijk) mogelijk.
Als een betaalde of verrekende belastingaanslag wordt verminderd, dan is er ten aanzien van het teveel betaalde bedrag sprake van een onverschuldigde betaling.
Tegen de beslissing op het verzoek om kwijtschelding is beroep mogelijk.
Als de invorderingsambtenaar afwijzend op het verzoek om kwijtschelding heeft beslist, en het verschuldigde bedrag wordt niet binnen een bepaalde termijn voldaan, dan zet hij de invordering voort.
De kwijtscheldingsregels op basis van artikel 26 van de wet zijn vastgelegd in de regeling.
In de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in de belastingsfeer tot uitdrukking gebracht.
Aan een aansprakelijkgestelde kan geen kwijtschelding worden verleend.
Wel kan hij op zijn verzoek worden ontslagen van de betalingsverplichting.
In artikel 53, derde lid van de wet is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven op grond waarvan de ontvanger de aansprakelijkgestelde geheel of gedeeltelijk van zijn betalingsverplichting kan ontslaan als deze niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar te betalen.
De voorwaarden voor het al dan niet verlenen van kwijtschelding, gelden ook voor het ontslag van de betalingsverplichting.
In aansluiting op artikel 26 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
algemene uitgangspunten van het kwijtscheldingsbeleid;
kwijtschelding van (rijks)belastingen voor particulieren;
kwijtschelding van (rijks)belastingen voor ondernemers;
administratief beroep;
voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding;
geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing van het verzoek om kwijtschelding;
geautomatiseerde kwijtschelding.
26.1. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid
26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden
De ontvanger verleent ook kwijtschelding van belastingaanslagen die al zijn betaald, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De belastingschuldige dient het verzoek om kwijtschelding in binnen drie maanden nadat de (laatste) betaling op de belastingaanslag heeft plaatsgevonden;
De belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daar eerder om had verzocht.
Van reeds betaalde belastingaanslagen vindt kwijtschelding plaats tot maximaal het bedrag dat binnen die periode van drie maanden onmiddellijk voorafgaand aan de datum van binnenkomst van het verzoek op de rekening van de gemeente is bijgeschreven.
Als de ontvanger het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige het bedrag terug waarvoor kwijtschelding is verleend.
26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding
Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend bij de ontvanger waaronder de belastingschuldige resorteert op een daartoe ingesteld verzoekformulier.
Het verzoekformulier is (op aanvraag) verkrijgbaar bij de invorderingsambtenaar.
Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar dit niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het verzoek niet als zodanig in behandeling.
De ontvanger zendt een verzoekformulier aan de belastingschuldige en stelt deze in de gelegenheid het verzoek alsnog in te dienen.
In afwachting hiervan wordt de invordering niet opgeschort.
In een belastingverordening kan zijn bepaald dat voor bepaalde belastbare feiten geen of gedeeltelijke kwijtschelding wordt verleend.
Wanneer een belastingschuldige kwijtschelding vraagt van gemeentelijke fiscale heffingen waarvoor geen kwijtschelding kan worden verleend, wordt dit door de invorderingsambtenaar aan de aanvrager meegedeeld.
Toezending van een verzoekformulier kan in dat geval achterwege blijven.
De navolgende documenten of kopieën daarvan, dienen – voor zover op de persoonlijke en financiële situatie van de aanvrager van toepassing - door de aanvrager bij het verzoekformulier te worden gevoegd:
dagafschriften van bank- en spaarrekening(en) over de periode van een maand of vijf weken onmiddellijk voorafgaande aan de datum van het verzoek
de laatst bekend huurspecificatie / hypotheekrentenota
verklaring van werkgever of arts, waaruit blijkt de het bezit van een auto noodzakelijk is in verband met werk, respectievelijk invaliditeit
voor zover van toepassing de laatst bekende beschikkingen inzake huurtoeslag, woonkostenvergoeding, belastingteruggave en heffingskorting
de laatst ontvangen loonstro(o)k(en) en/of uitkeringsspecificatie(s)
de zorgtoeslagbeschikking
een document over de vaststelling van de premie basisverzekeringzelf samengestelde uittreksels uit het verloop van een betalingsrekening worden niet geaccepteerd.
Wanneer dat voor het beoordelen van het verzoek van belang is, kan de invorderingsambtenaar ook (kopieën van) andere dan de hier genoemde documenten opvragen.
Wanneer het bedrag van de zorgtoeslag op het dagafschrift van de bankrekening afwijkt van het overgelegde document, wordt het bedrag op het dagafschrift in aanmerking genomen.
Wanneer een document geen andere informatie geeft dan wat bij de invorderingsambtenaar reeds uit andere bronnen bekend is (bijvoorbeeld uit bankafschrift of specificatie Wwb-uitkering) en het alsnog overleggen van dat document ook uit ander opzicht geen meerwaarde heeft, althans niet tot een beperktere kwijtschelding kan leiden, worden aan het achterwege blijven van dat stuk geen consequenties verbonden.
Het overleggen van een huurspecificatie of hypotheekrentenota kan achterwege blijven.
In dat geval wordt bij de beoordeling van het verzoek geen rekening gehouden met eventueel hogere woonlasten dan die waarmee in de wooncomponent rekening is gehouden.
Bij de behandeling van het verzoek wordt geen rekening gehouden met nog te restitueren zorgtoeslag e.a., wanneer de aanvrager zulks niet zelf op eigen initiatief aannemelijk heeft gemaakt.
Wanneer de aanvrager dit wel aannemelijk maakt, maar de betreffende beschikking van de Rijksbelastingdienst (nog) niet kan overleggen, kan desondanks bij het beoordelen van het verzoek rekening worden gehouden met te restitueren bedrag.
Wanneer toetsing van de financiële en persoonlijke situatie omstreeks het tijdstip van het indienen van het verzoek reeds elders binnen de gemeentelijke organisatie heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld in het kader van een uitkering Abw, IOAW of IOZA), kan inzending – behoudens de informatie over eventuele vermogensbestanddelen - eveneens achterwege blijven.
Voor hulp bij het invullen van het verzoekformulier wordt de belastingschuldige verwezen naar zorgwijzersteunpunten en belangenorganisaties, waartoe de invorderingsambtenaar desgevraagd een lijst verstrekt waarop actuele adressen, telefoonnummers en openingstijden van de betreffende instanties zijn vermeld.
Het verzoekformulier en de daarbij gevoegde bijlagen wordt op de dag van of na binnenkomst gescand en digitaal gearchiveerd.
De invorderingsambtenaar registreert het verzoek en geeft schriftelijk bericht van ontvangst af.
Nadat het verzoek om kwijtschelding bij de invorderingsambtenaar is ingediend, worden zolang niet op het verzoek is beslist, ten aanzien van de belastingschuldige geen dwangmaatregelen genomen of voortgezet ten aanzien van de belastingaanslag(en) waarvan kwijtschelding is verzocht.
Indien een verzoekformulier om kwijtschelding wordt ingediend voor een aanslag waarvoor de belastingschuldige reeds eerder een machtiging voor automatische incasso heeft afgegeven, zal de afschrijving ten behoeve van deze aanslag worden stopgezet.
Op verzoek van de belastingschuldige kan de automatische incasso worden hervat gedurende de tijd dat het verzoek in behandeling is.
Wanneer later (gedeeltelijk) kwijtschelding voor de betreffende aanslag wordt verleend, zal het (eventueel) te veel geïncasseerde bedrag binnen één maand na dagtekening van de kennisgeving op de rekening van de belastingschuldige worden gerestitueerd.
Wanneer het verzoek wordt afgewezen of slechts gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend blijven de termijnen vermeld op het aanslagbiljet gelden voor het nog openstaande bedrag en wordt automatisch incasso hervat.
Wanneer aannemelijk is dat gegronde vrees bestaat dat opschorting van de invordering ertoe zal leiden dat goederen – waarop de belastingschuld waarvan kwijtschelding is verzocht kan worden verhaald – zullen worden verduisterd, kan hij ondanks het verzoek om kwijtschelding conservatoire en zo nodig executoriale maatregelen nemen.
Voor zover deze maatregelen een onherroepelijk karakter dragen, is toestemming nodig van het college van burgemeester en wethouders.
Indien hij zulks nodig acht, stelt de invorderingsambtenaar een nader onderzoek in of wint inlichtingen in bij de belastingschuldige of bij derden.
Indien bij de behandeling van een verzoek om kwijtschelding blijkt, dat de belastingaanslag waarvan kwijtschelding wordt gevraagd, onjuist is vastgesteld, wordt het verzoek afgewezen, dan wel dat recht bestaat om ontheffing van (een deel van) het aanslagbedrag, wordt het verzoek afgewezen.
Daarbij wordt medegedeeld, dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder in behandeling genomen wordt, dan nadat de heffingsambtenaar op grond van de alsnog verstrekte gegevens de aanslag tot het juiste bedrag heeft kunnen vaststellen.
Het verzoek dat wordt ingediend nadat de belastingaanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld behandelt de invorderingsambtenaar als eerste verzoek.
De invorderingsambtenaar neemt op het ingediende verzoek om kwijtschelding een beslissing overeenkomstig het in de regeling verwoorde beleid, nadat hij kennis heeft genomen van:
de in het verzoekformulier verstrekte gegevens;
de (eventuele) aanvullende gegevens waarom hij heeft gevraagd;
de gegevens die hem uit anderen hoofde bekend zijn: in verband hiermee raadpleegt hij ook de eventueel over eerdere jaren ingediende verzoeken om kwijtschelding.
De invorderingsambtenaar is niet verplicht de belastingschuldige zijn zienswijze naar voren te laten brengen, wanneer hij voornemens is het verzoek om kwijtschelding geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
Op een verzoek om kwijtschelding wordt beslist bij een voor administratief beroep vatbare beschikking binnen een daartoe redelijk geachte termijn van dertien weken na ontvangst van het verzoek.
Blijkt dat niet mogelijk, dan moet de invorderingsambtenaar een kennisgeving aan de belastingschuldige verzenden, waarin hij een redelijke termijn noemt, waarbinnen op het verzoek zal zijn beslist.
De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de invorderingsambtenaar de belastingschuldige heeft uitgenodigd het verzoek aan te vullen of anderszins aanvullende gegevens te verstrekken, tot de dag waarop aan het verzoek gevolg is gegeven of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding
Als de ontvanger een uitgereikt of toegezonden verzoekformulier onvolledig ingevuld terugontvangt, stelt hij de belastingschuldige in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen tien dagen te verstrekken.
In afwachting daarvan schort de ontvanger de invordering in beginsel op.
De ontvanger vraagt de gegevens slechts éénmaal op.
Als de belastingschuldige niet alle gevraagde nadere gegevens bijvoegt, beschouwt de ontvanger het verzoek ook als onvolledig ingevuld en wijst hij het verzoek af.
26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding
Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en normen van belang die gelden op het moment van indiening van het verzoek, tenzij in de leidraad anders is aangegeven.
26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden
Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat aan één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die voorwaarden in de beschikking op.
Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de termijn vast waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De termijn bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van de kennisgeving, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.
Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort, dan moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een termijn van tien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de betaling van dat deel.
Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van deze leidraad) van toepassing.
Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel van de schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende teruggaven.
Indien een belastingaanslag door kwijtschelding teniet gaat, vervallen de ingevolge de Kostenwet in rekening gebrachte kosten.
De invorderingsambtenaar kan als voorwaarde voor het verlenen van kwijtschelding bepalen, dat de eerder ingevolge de Kostenwet vastgestelde kosten moeten worden voldaan alvorens kwijtschelding verleend wordt van het aanslagbedrag.
26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding
Als de ontvanger het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet hij motiveren waarom hij tot afwijzing van het verzoek heeft besloten.
Daarbij hoeft hij niet alle afwijzingsgronden te noemen.
26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij voortzetting invordering
Als de ontvanger geen kwijtschelding verleent, of als het college afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing, dan wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van veertien dagen na dagtekening van de beschikking.
Deze termijn wordt niet of niet geheel verleend als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad.
26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding
Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de beslissing op een kort voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om kwijtschelding mondeling bekend maken.
De ontvanger bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt niet de termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag aanvangen of voortzetten.
Evenzo geldt voor een kort voor de executoriale verkoop gedaan verzoek dat niet is ingediend op een verzoekformulier of op een verzoekformulier dat onvolledig is ingevuld, dat de ontvanger de belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt het verzoek in te dienen op het daartoe bestemde formulier of de belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt de ontbrekende gegevens aan te vullen (zoals bepaald in de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van deze leidraad), maar het verzoek afwijst.
26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend
Er wordt geen kwijtschelding verleend als:
de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet volledig, onjuist, of niet op het door de ontvanger uitgereikte formulier (zie ook de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van deze leidraad) zijn verstrekt;
uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven enerzijds en het inkomen anderzijds en de belastingschuldige de in dat verband door de ontvanger gevraagde opheldering niet - of naar het oordeel van de ontvanger - in onvoldoende mate verschaft;
een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of (in hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele vermindering of vernietiging van de belastingaanslag dient namelijk aan kwijtschelding vooraf te gaan. De belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat op het bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) is beslist;
voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld;
er sprake is van meer dan één belastingschuldige;
een derde nog voor de belastingschuld aansprakelijk kan worden gesteld;
het aan de belastingschuldige kan worden toegerekend dat de belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daarvan is onder andere sprake als:
het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is te wijten dat te weinig belasting is geheven;
een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding wordt gevraagd, tenzij het een voorlopige teruggaaf betreft voor zover die niet voor beslag vatbaar is;
vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen;
de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat een belastingaanslag zou worden opgelegd en nalatig is gebleven in verband daarmee middelen te reserveren;
de belastingschuldige geen gebruik heeft gemaakt van het recht op aanvullende bijstand, waardoor de belastingaanslag (gedeeltelijk) zou kunnen worden betaald;
de belastingschuldige in surséance van betaling of in staat van faillissement verkeert, tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld in de artikelen 138 en 252 FW;
ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is van een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de regeling, voor zover die materieel verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van 65toepassing is verklaard, en niet kan worden aangemerkt als een boedelschuld;
door de ontvanger nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend.
Evenmin wordt kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te betalen belasting waarop het verzoek betrekking heeft als aannemelijk is dat dit bedrag kan worden voldaan omdat:
binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk wisselende inkomens een hoger inkomen is te verwachten;
binnen een jaar na indiening van het verzoek een verbetering is te verwachten in de financiële omstandigheden;
binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf, anders dan de voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de regeling kan worden verwacht. De vraag of buitengewoon bezwaar bestaat de verschuldigde belasting te betalen, kan immers slechts betrekking hebben op een per saldo verschuldigd bedrag. Alleen voor dat saldo moeten de aanwezige financiële middelen worden aangesproken. Dit houdt in dat geen kwijtschelding kan worden verleend als de belastingaanslag binnen een jaar door middel van verrekening kan worden aangezuiverd.
26.1.10. Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding
Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de ontvanger het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe.
Er is geen sprake van een ex-ondernemer als (een deel van) het bedrijfsvermogen nog aanwezig is.
In dat geval zal het verzoek om kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 26.3 van deze leidraad.
Het nog aanwezige bedrijfsvermogen zal geheel moeten worden gebruikt ter aflossing van de openstaande (zakelijke) belastingaanslagen.
26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen
De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij het college, de raad of de gemeentelijke ombudsman. Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad, kan de ontvanger toch invorderingsmaatregelen treffen.
Onherroepelijke invorderingsmaatregelen mogen alleen worden genomen na voorafgaande toestemming van het college.
26.2. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren
26.2.1. Vermogen en kwijtschelding particulieren
Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en deze persoon die hoger bevoorrecht zijn dan de gemeentelijke belastingen.
Ook wanneer de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of bij ongehuwd samenlevenden, wanneer sprake is van een samenlevingscontract, is het vorenstaande van overeenkomstige toepassing, ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag.
Artikel 3 Wwb merkt als echtgenoot mede aan de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of
zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding als hiervoor bedoeld.
Het begrip gezamenlijke huishouding leidt er voorts toe dat het vermogen van bijvoorbeeld een inwonende broer of zus bij de beoordeling van het verzoek om kwijtschelding in aanmerking wordt genomen.
Rechten op kapitaaluitkeringen, uitsluitend bestaande uit een kapitaaluitkering bij overlijden van de belastingschuldige en zijn echtgenoot worden niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen, mits de uitkering is bestemd voor de verzorging van de uitvaart van de belastingschuldige of zijn echtgenoot. Polissen die recht geven op prestaties uit levensverzekering in het kader van de verzorging van een uitvaart (zogenoemde naturapolissen) worden evenmin als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
Een spaarsaldo dat is opgebouwd vanwege een levensloopregeling wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
Personen die op 31 december 1999 65 jaar of ouder zijn kunnen over een extra vrijgesteld bedrag aan financiële middelen beschikken van € 2.269,-- per persoon.
Wanneer de belastingschuldige niet beschikt over vermogen of betalingscapaciteit wordt kwijtschelding verleend voor het gehele op de belastingaanslag openstaande bedrag.
Kwijtschelding wordt ook verleend voor het op de belastingaanslag openstaande bedrag dat overblijft nadat:
het aanwezige vermogen is gebruikt ter voldoening van de openstaande belastingaanslag;
tenminste 80% van de aanwezige betalingscapaciteit is gebruikt voor de voldoening van de belastingaanslag.
Bij de beoordeling van de vraag tot welk bedrag kwijtschelding moet worden verleend, wordt niet de volledige betalingscapaciteit in aanmerking genomen, maar wordt rekening gehouden met de zogenoemde uitvoeringstolerantie.
Het bedrag dat overblijft nadat het netto besteedbare inkomen is verminderd met het normbedrag voor levensonderhoud is de betalingscapaciteit.
Bij de beoordeling van de vraag tot welk bedrag kwijtschelding moet worden verleend, wordt niet de volledige betalingscapaciteit in aanmerking genomen.
Om de belastingschuldige de gelegenheid te bieden om plotseling optredende kosten te kunnen betalen (bijvoorbeeld de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen), wordt voor de bepaling van het kwijt te schelden bedrag volstaan met het opeisen van 80% van de aanwezige betalingscapaciteit.
Van de aanwezige betalingscapaciteit wordt dus 20% vrijgelaten voor persoonlijke uitgaven van de belastingschuldige -
dit wordt de zogeheten uitvoeringstolerantie genoemd.
26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren
De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan € 2.269,-- bedraagt.
Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen.
26.2.3. De auto en kwijtschelding particulieren
De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 2.269,-- of minder.
Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen.
Als op de auto voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht.
Als 'waarde' wordt de prijs in aanmerking genomen die de autohandel bereid is te betalen bij inkoop van een gebruikte auto zonder gelijktijdige verkoop van een andere auto.
Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als de belastingschuldige aan de ontvanger - zo nodig na een verzoek daartoe - aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald.
De belastingschuldige moet de onmisbaarheid (zonodig) ná een verzoek van de invorderingsambtenaar aannemelijk kunnen maken. Het is dus niet noodzakelijk dat de belastingschuldige reeds bij de indiening van het verzoek om kwijtschelding die onmisbaarheid aannemelijk maakt.
De onmisbaarheid van de auto in verband met invaliditeit of ziekte kan aannemelijk worden gemaakt met een verklaring van een vertrouwensarts niet zijnde huisarts of behandelend specialist.
Met betrekking tot de auto wordt nog opgemerkt dat de aanwezigheid van een auto kan leiden tot afwijzing van een verzoek om kwijtschelding op grond van de overweging dat het feit dat de belastingaanslag niet kan worden voldaan aan de belastingschuldige is toe te rekenen.
Daarvan zal sprake zijn als het de invorderingsambtenaar duidelijk is dat de minimaal aan het bezit van de auto verbonden kosten niet uit het opgegeven inkomen kunnen worden voldaan.
De belastingschuldige wordt dan in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat deze kosten wel uit het inkomen kunnen worden voldaan.
26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren
Incidentele ontvangsten op een bank- of girorekening (zoals bijvoorbeeld vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel ook in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden.
Deze situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering.
Een tegoed op een bank- of girorekening wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel.
Voor wat het vrij opneembare deel daarvan betreft alleen voorzover dit tegoed meer bedraagt dan het voor de belastingschuldige geldende normbedrag voor kosten van levensonderhoud, vermeerderd met de op de belastingschuldige drukken- de huurprijs dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon tot maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag voorzover dit meer is dan de minimale eigen bijdrage in de laagste inkomenscategorie volgens artikel 17, tweede lid, Wet op de huurtoeslag en ook met de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag.
Wanneer de huur, de hypotheekrente, erfpachtcanon, de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten moeten worden voldaan over een termijn welke langer is dan een maand, wordt dat termijnbedrag in aanmerking genomen voorzover dat - gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling - op het moment waarop het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan, redelijkerwijs kan worden aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling.
Een bedrag op een bank- of girorekening dat is verkregen in het kader van de WSF of Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in de vorm van een lening, wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
Een spaartegoed dat geacht mag worden te zijn verkregen in de vorm van een zodanige lening wordt evenmin als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen, voorzover het gespaarde bedrag de component lening in de studietoelage niet overschrijdt.
Een bedrag op een bank- of girorekening dat is verkregen in het kader van een regeling voor persoonsgebonden budget wordt evenmin als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in het kader van de kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt.
26.2.5. Het vermogen uit de eigen woning en kwijtschelding voor particulieren
De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel.
In het algemeen zal het een door de belastingschuldige zelf bewoonde woning betreffen.
Voor de waardebepaling van de onroerende zaak is uitgangspunt de waarde van de onroerende zaak bij verkoop vrij te aanvaarden.
In zijn algemeenheid blijkt die waarde uit de beschikking zoals die laatstelijk voor het betreffende object in het kader van de Wet WOZ is vastgesteld.
Het saldo van de waarde bij verkoop vrij te aanvaarden verminderd met de op de onroerende zaak rustende hypotheek is de zogenaamde overwaarde en wordt als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
Het feit dat een vermogen, vastgelegd in een onroerende zaak, moeilijk liquide is te maken - in dat geval zal immers moeten worden overgegaan tot de (gedwongen) verkoop van de onroerende zaak - vormt geen aanleiding voor dit vermogensbestanddeel een ander standpunt in te nemen dan voor de overige vermogensbestanddelen.
Een andersluidend standpunt zou ook niet juist zijn omdat het de belastingschuldige zelf is geweest die heeft gekozen voor de wijze waarop hij zijn vermogen vastlegt.
Deze belastingschuldige kan daardoor niet in een andere positie komen te verkeren dan de belastingschuldigen die hun vermogen hebben vastgelegd op een wijze waardoor het vermogen wél op een eenvoudige(r) manier liquide kan worden gemaakt.
Als de aanwezigheid van vermogen vastgelegd in onroerende zaken leidt tot de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de belastingaanslag wordt vervolgens niet betaald, kan de voortzetting van de invordering bij oudere belastingschuldigen die hun laatste levensjaren in hun eigen woning willen slijten, leiden tot een onverdedigbare hardheid.
Een gedwongen verhuizing in verband met de verkoop van de onroerende zaak zal voor deze groep belastingschuldigen een onevenredig grotere belasting zijn dan voor andere belastingschuldigen.
In die gevallen kan de invorderingsambtenaar in overleg met de belastingschuldige afzien van prompte invordering en in plaats daarvan uitstel van betaling verlenen gedekt door een hypotheek op de eigen woning of door het leggen van een beslag op de woning.
De hypotheek dient opeisbaar te zijn na het overlijden van de langstlevende of bij een eerder vrij komen van de woning.
Het verlenen van een zodanig uitstel dient slechts in uitzonderlijke gevallen te worden verleend, aangezien de gemeente zich in dit kader niet als een kredietverlenende instelling behoort op te stellen.
26.2.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren
Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen vermogen beschikken, wordt dat vermogen bij de beoordeling van het door de ouder ingediende verzoek om kwijtschelding niet in aanmerking genomen, tenzij die ouder (een deel van) zijn vermogen heeft toebedeeld aan zijn kind(eren) om daaruit een fiscaal voordeel te behalen.
26.2.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren
Voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding van belastingaanslagen ten name van overledenen zijn de financiële omstandigheden van de erfgenamen in beginsel niet van belang.
Alleen de vraag of de belastingaanslagen uit het actief van de nalatenschap (hadden) kunnen worden voldaan is van belang.
Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de overblijvende partner/erfgenaam.
In dat geval worden de persoonlijke financiële omstandigheden wel mee in aanmerking genomen, ook al zouden bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de belastingschuld kunnen worden aangesproken.
Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding in aanmerking zou komen, wordt de betrokkene bij beschikking voor zijn aandeel in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting verleend. Deze werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de erflater het verzoek om kwijtschelding indient.
26.2.8. n.v.t.
26.2.9. Beroepsvermogen wikker en kwijtschelding voor particulieren
Als sprake is van een belastingschuldige die een uitkering ontvangt ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars, wordt het vermogen dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
26.2.10. Betalingscapaciteit kwijtschelding voor particulieren
26.2.10.1. Netto-besteedbaar inkomen algemeen
Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen aanwezig zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet worden beoordeeld in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende is om de belastingaanslag te voldoen.
De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend.
Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van zijn echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend.
Ook wanneer de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of bij ongehuwd samenlevenden wanneer sprake is van een samenlevingscontract, is het voorgaande van toepassing, ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag.
De vaststelling van het totale netto besteedbaar inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht.
De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, voor schulden van de belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die stammen uit de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de gezamenlijke huishouding is gevoerd.
Dat kan tot gevolg hebben dat in voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen en de betalingscapaciteit van de echtgenoot van belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voor zover een door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan vóór de aanvang van de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding.
Het toe te passen normbedrag is in dit geval - afhankelijk van de omstandigheden - het normbedrag voor een alleenstaande dan wel het normbedrag voor een alleenstaande ouder (zie artikel 16 van de regeling).
Voordat van het netto-besteedbare inkomen de kosten van bestaan worden afgetrokken ter bepaling van de betalingscapaciteit, worden de inkomsten genoemd in artikel 14 van de regeling verminderd met de uitgaven genoemd in artikel 15 van de regeling.
De uitgaven die in aanmerking zijn te nemen, zijn limitatief opgesomd in artikel 15 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 en in de Leidraad Invordering 2008.
Het gaat daarbij om:
uitgaven voor belastingschuld
huur, hypotheekrente en erfpachtcanons
netto-woonlasten
ziektekosten
onderhoudsverplichtingen
leningen
andere schuldeisers
Uitgaven die niet zijn genoemd in artikel 15 van de regeling kunnen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen niet in mindering worden gebracht.
26.2.10.2. Uitgaven in verband met aflossingen op leningen
Aflossingen op leningen waarbij het geleende bedrag is aangewend voor de betaling van belastingschulden, worden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in aanmerking genomen.
De invorderingsambtenaar kan de belastingschuldige vragen om aan te tonen dat het geleende bedrag inderdaad voor betaling van de belastingaanslagen is aangewend.
26.2.10.3. Betalingen aan andere schuldeisers
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met aflossingen op schulden die de belastingschuldige verricht aan andere schuldeisers ongeacht het doel waarvoor de schulden zijn aangegaan. Onder aflossing moet in dit verband worden verstaan de brutobetaling, dus zowel de betaling op de hoofdsom, als de betaling op rente en kosten.
26.2.10.4. Vergoedingen ter stimulering van arbeid
Niet betrokken als inkomsten bij de berekening van de betalingscapaciteit worden de in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o, verstrekte premies, kostenvergoedingen en vrij te laten inkomsten bedoeld ter stimulering van arbeid.
Het gaat in casu om de volgende bedragen:
een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 2.229,-- per kalenderjaar;
een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95,-- per maand met een maximum van € 764,-- per jaar;
een kostenvergoeding in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 150,-- per maand met een maximum van € 1.500,-- per jaar;
inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25 % van deze inkomsten, met een maximum van € 187,-- per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
26.2.10.5. (Onder)verhuur / kostgangers
Als de belastingschuldige die het verzoek om kwijtschelding indient inkomsten heeft uit onderverhuur of kamerverhuur, dan merkt de invorderingsambtenaar hetgeen door de onderhuurder of kamerhuurder wordt betaald, geheel aan als overige inkomsten.
Daarbij wordt geen rekening gehouden met eventuele kosten.
Ook de inkomsten uit het houden van kostgangers merkt de invorderingsambtenaar aan als overige inkomsten. Hierop worden echter wel kosten in mindering gebracht.
De kosten die in mindering moeten worden gebracht stelt de invorderingsambtenaar forfaitair op € 249,-- per maand (dus ongeacht de werkelijke kosten).
Als er sprake is van het houden van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, stelt de invorderingsambtenaar het forfaitaire bedrag naar evenredigheid vast, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld.
De forfaitair in aanmerking te nemen kosten kunnen nooit hoger zijn dan de in aanmerking te nemen inkomsten.
26.2.10.6. Normbedragen voor bestaanskosten
Nadat het netto-besteedbare inkomen is vastgesteld kunnen de kosten van bestaan daarop in mindering worden gebracht ter bepaling van de betalingscapaciteit.
De normbedragen voor de kosten van bestaan bedragen 100% van het feitelijke inkomen (het gezamenlijke bedrag van de in artikel 14 van de regeling genoemde inkomstenbestanddelen) met als maximum 100% van de voor het desbetreffende huishoudtype geldende maximale bijstandsnorm en als minimum 90% van de voor dat huishoudtype geldende minimale bijstandsnorm.
Dit geldt niet voor de in artikel 22 Wwb bedoelde ouderennormen.
Op deze ouderennormen is het gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid niet van toepassing.
Dit betekent dat echtparen en alleenstaanden, die inwonen bij hun kinderen, dan wel inwonende kinderen hebben, onafhankelijk van het inkomen c.q. de bijdragen van die kinderen de volledige norm ontvangen.
De normbedragen voor de kosten van bestaan bedragen 100% van de voor het desbetreffende huishoudtype geldende ouderennormen.
De voor de kwijtschelding van belang zijnde huishoudtypen die de bijstand onderkent zijn:
echtgenoten,
een alleenstaande ouder
een alleenstaande en
de 'ouderen' volgens de zogenaamde ouderennormen.
Voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar is de kwijtscheldingsnorm maximaal 100% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel c, Wwb (de basisbijstandsnorm) en minimaal 90% van die bijstandsnorm verminderd met een korting die wordt gesteld op 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm.
Deze korting is gelijk aan het bedrag van de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, Wwb.
Voor echtgenoten die beiden ouder zijn dan 65 jaar, of waarvan één echtgenoot ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna).
Voor een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar, is dat minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel b, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 100% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25 tweede lid, Wwb.
Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm.
Voor een alleenstaande ouder die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna).
Voor een alleenstaande, jonger dan 65 jaar, is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 100% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb.
Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm.
Voor een alleenstaande die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna).
De minimum- en maximum-kwijtscheldingsnormen per maand voor de verschillende huishoudtypen op basis van de bijstandnormen zoals die vanaf 1 januari 2009 gelden, zijn:
Kwijtscheldingsnorm / kosten van bestaan
Minimaal
maximaal
Echtgenoten
Beide partners tot 65 jaar
€ 1.039,23
€ 1.299,04
Eén of beide partner(s) 65 jaar of ouder
€ 1.395,91
Alleenstaande ouder
Tot 65 jaar
€ 909,33
€ 1.169,14
65 jaar en ouder
€ 1.277,06
Alleenstaande
Tot 65 jaar
€ 649,52
€ 909,33
65 jaar en ouder
€ 1.020,76
Als gehuwd of als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is (ouder of kind).
Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
Onder 'kind' wordt verstaan het in Nederland woonachtige kind.
Onder 'ten laste komend kind' wordt verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak kan maken op kinderbijslag.
26.2.10.8. Buitenlandse belastingschuldigen
Bij de beoordeling van verzoeken om kwijtschelding die zijn ingediend door belastingschuldigen die in het buitenland verblijven, gelden dezelfde normbedragen als voor belastingschuldigen die hier te lande verblijven.
26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren
Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld wordt gesteld op 7% van de - aan loonheffing onderworpen - inkomsten waarbij aanspraak bestaat op vakantiegeld.
Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de ontvanger uit eigen wetenschap bekend is dat het reëel genoten vakantiegeld meer of minder bedraagt dan 7%, wordt het reëel genoten vakantiegeld in aanmerking genomen.
26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren
Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 18+. Studenten in het voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs ontvangen een basistoelage en eventueel (afhankelijk van het inkomen van de ouders) een tegemoetkoming in de schoolkosten op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 18+.Studenten in het middelbaar onderwijs ontvangen een basisbeurs en eventueel (afhankelijk van het inkomen van de ouders) een aanvullende beurs en een lening op grond van de WSF. De inkomsten voor studenten worden gesteld op een forfaitair bedrag:
Opleiding
Woonsituatie
Basisbeurs
Max. aanv. beurs
Max.rentedr.lening
Levens-onderhoud
Boeken, leermiddelen
Inkomsten
College- & lesgeld
Onderwijsretributie
HO
HO
MBO
MBO
uitwonend
thuiswon.
uitwonend
thuiswon.
€ 266,23
€ 95,61
€ 246,-
€ 75,39
€ 239,08
€ 219,16
€ 326,83
€ 306,90
€ 289,38
€ 289,38
€ 164,21
€ 164,21
€ 794,69
€ 604,15
€ 737,04
€ 546,50
€ 57,-
€ 57,-
€ 50,-
€ 50,-
€ 720,58*)
€ 534,61*)
€ 588,75
€ 402,84
€ 135,-
€ 135,-
-
-
-
-
€ 84,42
€ 84,42
*) Eventueel verhoogd met partner- of éénoudertoeslag:
Partnertoeslag
Eénoudertoeslag
€ 445,93
€ 557,27
Indien belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van het forfaitaire bedrag aan inkomsten uit de bovenstaande tabel.
Echter voor zover het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering en de eigen inkomsten samen meer bedraagt dan het forfaitaire bedrag van de forfaitaire kosten van levensonderhoud uit de tabel, wordt als inkomsten in dat geval in aanmerking genomen: dat verschil vermeerderd met het forfaitaire bedrag wegens inkomsten.
Indien sprake is van een partnertoeslag of een éénoudertoeslag worden bij de voormelde berekeningen de forfaitaire bedragen van levensonderhoud en inkomsten verhoogd met die toeslagen.
In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering geheel uit een lening.
In die situaties wordt ook uitgegaan van de vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing.
26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren
Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in aanmerking genomen.
De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar, wordt daarentegen wél als inkomen in aanmerking genomen, evenals de ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen.
In dat geval is de bijzondere bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet.
De bijzondere bijstand voor jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm, als de ouderlijke bijdrage - die geacht wordt deze lage bijstandsnorm aan te vullen tot het niveau van de bijstandsnorm voor personen van 21 tot 65 jaar - geheel of gedeeltelijk ontbreekt.
26.2.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met betalingen die nog moeten worden gedaan op geformaliseerde belastingaanslagen waarop het verzoek om kwijtschelding geen betrekking heeft. Als uit de administratie van de invorderingsambtenaar niet blijkt dat de belastingschuldige die het verzoek heeft ingediend (een) andere belastingaanslag(en) heeft te voldoen dan die waarvan kwijtschelding wordt verzocht, kan de invorderingsambtenaar de belastingschuldige bewijsstukken laten overleggen waaruit van die betalingen blijkt.
De betalingen moeten betrekking hebben op reeds geformaliseerde belastingaanslagen.
Met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend nog zullen worden opgelegd, wordt geen rekening gehouden.
In voorkomend geval kan - als het rijksbelastingen betreft - bij de rijksontvanger een (aanvullend) verzoek om kwijtschelding worden ingediend. Onder betaling op belastingschulden wordt ook begrepen een betaling ter zake van premie voor de volksverzekeringen, ter zake van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en een betaling ter zake van een terugvorderingsbeschikking toeslagen.
Betreft het belastingen van andere lagere overheden dan de gemeente Bergen op Zoom, dan kan ook in dat geval bij de betreffende instantie om kwijtschelding worden verzocht.
Tot betalingen op belastingschulden worden ook de betalingen gerekend die worden verricht op andere gemeentelijke fiscale heffingen, voor zover daarvan kwijtschelding mogelijk is.
De invorderingsambtenaar kan de belastingschuldige bewijsstukken laten overleggen waaruit van de betalingen op die belastingen en/of heffingen blijkt.
26.2.15. Woonlasten
26.2.15.1. Uitgaven voor huur, hypotheekrente en erfpachtscanon
Omdat de kwijtscheldingsnorm 100% van de normuitkering van de bijstand bedraagt, analoog aan het regime voor de beslagwetgeving, heeft dit tot gevolg dat woonlasten die bij de toepassing van de Wet op de huurtoeslag minimaal voor eigen rekening blijven, al in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt. Dit bedrag, dat dus ook in de bijstandsuitkering is begrepen, is het minimale eigen aandeel in de woonlasten overeenkomstig de systematiek van de Wet op de huurtoeslag voor iemand met een minimuminkomen. Bij de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met de woonlasten die niet in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt, dus het bedrag boven de normhuur.
26.2.15.2 Huurtoeslagnormen
De huurtoeslagnomrne bedragen:
Categorie
Maximaal subsidiabele huur per maand
€ 647,53,
Maximumbedrag per maand dat in de laagste inkomenscategorie volgens art. 17, tweede lid, Wet op de huurtoeslag voor eigen rekening komt (normhuur)
€192,32
Normhuur per maand als sprake is van éénpersoonsouderenhuishouden
€ 190,50
Normhuur per maand als sprake is van meerpersoonsouderenhuishouden
€ 188,69
Maximumbedrag aan woonlasten per maand waarmee de beslagvrije voet kan worden verhoogd voor:
Jongeren tot 23 jaar
éénpersoonshuishouden tot 65 jaar
éénpersoonshuishouden van 65 jaar en ouder
2 persoonshuishouden 23 tot 65 jaar
2 persoonshuishouden 65 jaar of ouder en gehandicapten
3 persoonshuishouden 23 tot 65 jaar
3 persoonshuishouden 65 jaar of ouder en gehandicapten
€ 165,05
€ 348,66
€ 350,48
€ 280,65
€ 352,29
€ 308,16
€ 361,46
Onder (netto-)woonlasten wordt verstaan de op belastingschuldige drukkende huurprijs als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag dan wel hypotheekrente (niet de aflossingen op de hypotheek!) en erfpachtcanon terzake van een door de belastingschuldige bewoonde woning voor zover deze hem voor gebruik ter beschikking staat, verminderd met de ontvangen huurtoeslag en andere tegemoetkomingen in de woonlasten.
Onder netto-woonlasten vallen dus ook de subsidiabele servicekosten.
De huur die bij de berekening van de belastingcapaciteit in aanmerking wordt genomen, is de huur zoals van toepassing op het moment waarop het verzoek wordt ingediend.
Met eventuele (voorzienbare) huurverhoging wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit over de toekomstige periode van twaalf maanden geen rekening gehouden. Wanneer het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie 3.14. van deze leidraad) wordt slechts het door belastingschuldige zelf betaalde gedeelte van de woonlasten in aanmerking genomen, dit zulks tot een maximum van 50% van de woonlasten. Wanneer de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding heeft ingediend tegen betaling kost en inwoning geniet of op commerciële basis een kamer huurt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit uitsluitend rekening gehouden met het bedrag dat voor inwoning c.q. de kamerhuur wordt betaald. De 'kost' wordt derhalve niet in aanmerking genomen.
In een aantal gevallen wordt huurtoeslag verstrekt ook als de huur hoger is dan de maximumgrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag. Dat is het geval als:
het huishouden van de belastingschuldige uit meer dan 8 personen bestaat;
belastingschuldige gehandicapt is en in een aangepaste woning woont.
Het vorenstaande houdt in dat in deze gevallen een hogere huur in aanmerking kan worden genomen dan het maximumbedrag van de huurtoeslag.
Onder huurprijs in de zin van de Wet op de huurtoeslag wordt verstaan de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning (de zgn. kale huur), verminderd met het eventueel daarin begrepen bedrag voor bedrijfsruimte en met een vast bedrag voor de huur van een garage (€ 22,--) en vermeerderd met een aantal servicekosten (de zgn. subsidiabele servicekosten: artikel 5, derde lid, Wet op de huurtoeslag).
Deze servicekosten zijn:
elektriciteitskosten van lift-, ventilatie-, hydrofoor- en alarminstallaties en kosten van de verlichting van gemeenschappelijke ruimten, een en ander tot ten hoogste een bedrag van totaal € 12,-- per maand;
schoonmaakkosten van liften en andere gemeenschappelijke ruimten tot ten hoogste € 12,-- per maand;
kosten van een huismeester tot ten hoogste € 12,-- per maand;
kapitaals- en onderhoudskosten van dienstruimten en gemeenschappelijke recreatieruimten tot ten hoogste € 12,-- per maand.
De overige in de betaalde bruto-huur begrepen elementen komen niet voor subsidiëring in aanmerking en worden dus ook bij de verhoging van de beslagvrije voet op grond van artikel 475d, vijfde lid, onderdeel b, Rv buiten beschouwing gelaten.
Het feit dat de belastingschuldige niet onder betaling van deze elementen uitkomt doet hieraan niet af.
Voor toepassing van het vorenstaande dient de belastingschuldige desgevraagd een huurspecificatie te overleggen, verkrijgbaar bij de verhuurder.
26.2.15.3. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden
Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie artikel 26.2.10 van deze leidraad), worden de woonlasten in aanmerking genomen tot ten hoogste 50% van het bedrag dat de uitkomst is van de berekening op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling.
26.2.15.4. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens
In het geval de belastingschuldige met tenminste twee personen van 18 jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert alsmede in het geval de belastingschuldige met één of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18 jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert dan wel anderszins op één adres verblijf houdt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit geen rekening gehouden met de netto-woonlasten, tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de woonlasten niet gedeeld kunnen worden. Het vorenstaande geldt niet als sprake is van commerciële verhuur, te weten als sprake is van kostgangers of kamerhuurders.
26.2.15.5. Verblijf in inrichting
Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 van de Wwb is de kwijtscheldingsnorm per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging, per 1 januari 2007 vermeerderd met: voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 192,84 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 44,-- = € 236,84; voor gehuwden: € 299,95,-- verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 81,-- = € 80,95.
Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de kwijtscheldingsnorm de som van de bijstandsnormen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
26.2.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren
Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage - de bijdrage die een gemeente op grond van de Wwb van een ex-partner vordert in de kosten van bijstand - in mindering gebracht.
26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP
Als sprake is van een belastingschuldige ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid.
Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.
26.2.18. Inkomen wikker
Van de kunstenaar die in het voorafgaande kalenderjaar geen Wik-uitkering heeft genoten worden de totale inkomsten gesteld op het bedrag van de voor hem geldende bijstandsnorm, met inbegrip van de maximale toeslag.
26.2.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de bijstandsuitkering
De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 43 per maand en voor echtgenoten € 80 per maand.
Premies (aanvullende) ziektekostenverzekering, zorg-verzekeringswet en premies AWBZ
Normpremie
Ontvangen zorgtoeslag
plus €
min €
min €
Bedrag waarmee aan de uitgavenkant rekening wordt gehouden
= €
De toeslag nominale zorgpremie bedraagt m.i.v. 1 januari 2009
voor een alleenstaande € 44,--
voor gehuwden € 81,-.
In de Wet op de Zorgtoeslag artikel 2, derde lid is het percentage van 3,5% is aangepast naar
2,7% per 1 januari 2009.
Hierdoor is de normpremie voor 2009 lager geworden, waardoor de zorgtoeslag is toegenomen.
Per saldo ontstaat er geen inkomensachteruitgang voor deze groep mensen.
De berekening is als volgt:
Standaardpremie alleenstaanden € 1.209,--
Zorgtoeslag € 692,-- -/-
Ten laste blijvende premie € 517,--
Per maand 517 /12 = € 43,--.
Geen van de overige uitgaven in verband met ziekte en/of invaliditeit worden in aanmerking genomen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen.
Voor de bestrijding van de noodzakelijke (extra) kosten die de belastingschuldige maakt in verband met ziekte of invaliditeit, kan hij zonodig een beroep doen op de Wwb, voor zover geen beroep kan worden gedaan op andere voorzieningen, zoals een uitkering krachtens de AWBZ.
Voordat de gevraagde bijstand wordt verleend, moet de aanvrager/belastingschuldige zelf in een kalenderjaar een vastgesteld maximumbedrag uit eigen middelen hebben bijgedragen.
Met de eigen bijdrage wordt evenmin rekening gehouden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen.
Omdat de belastingschuldige zijn uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit óf uit eigen middelen moet voldoen zolang het vastgestelde maximumbedrag niet wordt overschreden, óf een beroep kan doen op de Abw of een andere voorziening, wordt met die uitgaven bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen geen rekening gehouden.
26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland
De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in het buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk onderhoudt, wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als een alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb. Als huur wordt de hier te lande betaalde huur in aanmerking genomen. Door toepassing van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb, wordt in het kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden met de bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn bloed- of aanverwanten overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de werkelijke bedragen die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt geen rekening gehouden.
26.3. Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers
26.3.1. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord
Kwijtschelding voor ondernemers vindt alleen plaats bij een saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting.
Deze kwijtschelding komt pas aan de orde nadat alle gestelde zekerheden zijn uitgewonnen.
26.3.2. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers
Voordat de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord gaat hij na of de mogelijkheid bestaat (een) derde(n) aansprakelijk te stellen voor onbetaald gebleven belastingschuld.
Als de (te verwachten) opbrengst uit de aansprakelijkstelling zodanig is dat het aanbod tot een saneringsakkoord voor de ontvanger geen betere perspectieven biedt, treedt de ontvanger niet toe tot het akkoord.
Bij toetreding tot een saneringsakkoord kan de ontvanger er van afzien derden alsnog aansprakelijk te stellen. In dat geval moet bij de vaststelling van het bedrag dat aan de ontvanger moet worden voldaan rekening worden gehouden met het bedrag dat uit de aansprakelijkstelling geïnd had kunnen worden.
Als de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord en daarnaast nog derden aansprakelijk stelt, blijft bij de vaststelling van het bedrag dat in het akkoord moet worden voldaan een (eventuele) opbrengst uit de aansprakelijkstelling buiten beschouwing.
In de situatie dat de aansprakelijkgestelde zijn regresrecht op de gesaneerde onderneming uitoefent en het bedrijf daardoor opnieuw in moeilijkheden komt, eist de ontvanger niet dat de onderneming het ontstane tekort alsnog aanvult.
Als later blijkt dat de aansprakelijkgestelde niet kan betalen, eist de ontvanger evenmin het ontstane tekort op.
26.3.3. Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord
De ontvanger verleent geen medewerking aan een saneringsakkoord waarbij één of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt voldaan niet kwijtschelden maar overdragen aan een derde of omzetten in aandelenkapitaal.
26.3.4. Toepassingsbereik saneringsakkoord
Bij de beoordeling van het aangeboden saneringsakkoord bekijkt de ontvanger welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden betrokken.
Uitgangspunt hierbij is de formele belastingschuld ten tijde van het verzoek.
Bij de behandeling van het aangeboden akkoord is het de taak van de belastingschuldige/ondernemer er voor te zorgen dat de formele schuld zo nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de materiële schuld.
Als de belastingschuldige niet de gegevens overlegt die (kunnen) leiden tot een juiste vaststelling van de verschuldigde belasting, is er geen aanleiding voor de ontvanger toe te treden tot het aangeboden akkoord.
Naast de Rijksbelastingdienst heeft ook de gemeente de inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen en de eventueel nog (materieel) verschuldigde belastingen over tijdvakken tot aan het tijdstip waarop het verzoek om sanering is ingediend, te formaliseren.
26.3.5. Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord
Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden betrokken.
Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt voordat tot sanering kan worden overgegaan. Daarna past de ontvanger het akkoordpercentage toe op de belastingschuld én op de bestuurlijke boete.
26.3.7. Rente en kosten en saneringsakkoord
De ontvanger betrekt rente en kosten integraal in het akkoord.
Het bedrag dat op basis van het akkoord is betaald, wordt in afwijking van artikel 7 van de wet op de hoofdsom afgeboekt.
De ontvanger vermeldt dit in de beschikking.
26.3.8. Speciale crediteuren en saneringsakkoord
Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om (een deel van) de vordering die zij hebben te kunnen innen.
Tot die crediteuren behoren onder meer:
Pandhouders, omdat het recht van voorrang van de pandhouder op het in pand gegeven goed boven het voorrecht van de fiscus gaat, staat het niet deelnemen van de pandhouder aan het akkoord niet aan een deelname daaraan door de ontvanger in de weg. Vanzelfsprekend zal in aanmerking moeten worden genomen dat het recht van voorrang van de pandhouder afhankelijk is van - en dus qua belang beperkt is tot - de waarde van het in pand gegeven goed. Voor het niet door pand gedekte gedeelte van zijn vordering kan de pandhouder slechts als concurrent schuldeiser worden aangemerkt. De bezitloos pandhouder wiens pandrecht betrekking heeft op een zaak als bedoeld in artikel 21, tweede lid, tweede volzin van de wet is voor die zaak lager bevoorrecht dan de fiscus. Voor hem geldt het voorgaande dus niet. Vordering van de gemeente moeten als concurrente vorderingen worden aangemerkt.
Leveranciers die de eigendom van de geleverde zaak hebben voorbehouden. Als een leverancier de eigendom van de geleverde zaak heeft voorbehouden, moet bij het bepalen van de grootte van zijn vordering rekening worden gehouden met dat eigendomsvoorbehoud. Het voorgaande is niet van toepassing als de rijksontvanger met toepassing van het bodemrecht beslag heeft gelegd op deze zaak. In dat geval wordt door de rijksontvanger integrale voldoening van de waarde van de bodemzaak worden geëist en voor het restant van de fiscale vordering (ten minste) het dubbele percentage;
Cessionarissen, als sprake is van rechtsgeldige gecedeerde uit te betalen bedragen en de ontvanger heeft eveneens met de cessie ingestemd, dan wordt bij een akkoord de vordering van de crediteur/cessionaris in aanmerking genomen met inachtneming van de te verwachten uit te betalen bedragen. De hoogte van de vordering van de ontvanger wordt bepaald zonder rekening te houden met de te verwachten - maar rechtsgeldig gecedeerde - uit te betalen bedragen.
Onder 'dwangcrediteuren' worden verstaan leveranciers die niet bereid zijn aan een akkoord mee te werken omdat de onderneming zonder hen niet verder kan werken.
Hiermee vergelijkbaar is de adviseur/boekhouder die de stukken moet produceren die voor de beoordeling van het aanbod nodig zijn. Bij de beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de volledige betaling van de vordering van de adviseur/boekhouder.
26.4. Administratief beroep
26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding
Als de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van de ontvanger op het verzoek om kwijtschelding, kan hij een gemotiveerd beroepschrift richten tot het college. Het beroepschrift wordt ingediend bij de ontvanger. In verband met het aan het college uit te brengen advies zendt de ontvanger zo nodig opnieuw een verzoekformulier aan de belastingschuldige toe.
Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier niet terugzendt, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid dit alsnog te doen. Als de belastingschuldige hieraan geen gevolg geeft, stelt de ontvanger het college daarvan in kennis.
De ontvanger adviseert het college dan om niet aan het beroepschrift tegemoet te komen.
26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding
De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een beroepschrift dat gericht is aan het college.
Als de ontvanger aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen dan in zijn eerdere beschikking, handelt hij het herhaalde verzoek zelf af.
De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een eerste verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg van een duidelijke, ambtelijke fout.
In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van de ontvanger een beroepschrift indienen bij het college.
26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding
Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren.
De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.
26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding
Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om kwijtschelding zijn de gegevens en normen van belang die van toepassing waren bij de beoordeling van het eerste verzoek.
Wanneer echter blijkt dat het inkomen van de belastingschuldige ten opzichte van het eerste verzoek zodanig is gedaald dat de betalingscapaciteit destijds in belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening plaats.
Ook wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag en zorgtoeslag kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening vindt niet plaats bij wijzigingen in de kosten van bestaan.
26.4.5. Beslissing op beroep bij kwijtschelding
In alle gevallen waarin het college het beroep gegrond oordeelt, kan het college de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging van de gronden.
Op een administratief beroep wordt beslist binnen een redelijk te achten termijn van dertien weken na ontvangst ervan.
26.4.6. Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding
Als een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering niet eerder voortgezet dan nadat tien dagen zijn verstreken.
Artikel 9 van de regeling is van overeenkomstige toepassing.
Als binnen de termijn van tien dagen een beroepschrift wordt ingediend, dan wordt gedurende de behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling.
Indiening van het beroepschrift na de termijn van tien dagen leidt tot niet-ontvankelijkheid.
Dit neemt echter niet weg dat - als het belang van de invordering zich daartegen niet verzet - van het college mag worden verwacht dat het alsnog ambtshalve de grieven die in het beroepschrift zijn aangedragen op hun waarde beoordeelt.
Ook in dat geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling.
Of het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling verzet, hangt af van de omstandigheden. Hiervan is echter in ieder geval sprake als inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn genomen.
26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding
Als de ontvanger nalaat om tijdig een beslissing te nemen op een verzoek om kwijtschelding, kan de belastingschuldige hiertegen beroep instellen bij het college.
Hieraan is geen termijn gebonden.
Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger kwijtschelding had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan het college op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.
26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding
26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding
Als de ontvanger afwijzend heeft beslist op een verzoek om kwijtschelding of een aangeboden akkoord, of het college heeft afwijzend beslist op een ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking van de ontvanger, dan moet de belastingschuldige het op de belastingaanslag(en) verschuldigde bedrag binnen tien dagen na dagtekening van de afwijzende beschikking of binnen de betaaltermijnen die op het aanslagbiljet zijn aangegeven, voldoen.
Na deze termijn kan de ontvanger de invordering aanvangen dan wel voortzetten.
De termijn van tien dagen geldt niet als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10 van de wet.
26.5.2. Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding
Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding maar de ontvanger voortzetting van de invordering niet gewenst vindt, wijst de ontvanger het verzoek om kwijtschelding af.
De ontvanger neemt in die beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal treffen.
Als de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van invorderingsmaatregelen voor de nog openstaande schuld zonder dat hij daaraan voorwaarden verbindt, heeft de beslissing voor de belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen als kwijtschelding.
De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te nemen voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering gelaten schuld.
De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.
De ontvanger neemt deze verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de beschikking op.
Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te nemen voor de nog openstaande schuld, zal hij aan die beslissing voorwaarden verbinden danwel daarin een tijdsbepaling opnemen.
Anders dan kwijtschelding is een toezegging onder voorwaarden herroepelijk.
Als de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, kan de ontvanger zijn eerdere toezegging bij beschikking intrekken.
De ontvanger gaat hier pas toe over nadat hij belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de toezegging in te trekken als niet binnen veertien dagen alsnog aan de voorwaarden wordt voldaan.
26.6. Ambtshalve kwijtschelding langs geautomatiseerde weg
Aan de belastingplichtige die het voorgaande jaar volledige kwijtschelding van gemeentelijke heffingen is verleend en:
in de het voorgaande kalenderhalfjaar gedurende tenminste een aaneengesloten periode van drie maanden in deze gemeente een bijstandsuitkering, een uitkering IOAW of een uitkering IOAZ ontving, of
op 1 januari van het voorgaande jaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en schriftelijk aannemelijk heeft gemaakt dat ten opzichte van het voorgaande jaar geen wijziging in zijn/haar persoonlijke en financiële situatie heeft plaatsgevonden
kan – ter beoordeling van de invorderingsambtenaar – ambtshalve kwijtschelding van gemeentelijke belastingen worden verleend.
Ambtshalve kwijtschelding blijft achterwege, wanneer het vermogen het daartoe gestelde normbedrag overschrijdt.
Ambtshalve kwijtschelding van degenen die jonger zijn dan 65 jaar en een bijstandsuitkering, een uitkering IOAW of een uitkering IOAZ ontving, blijft achterwege, wanneer het vermogen een bedrag van € 3.000,-- overschrijdt.
Bij het ambtshalve verlenen van kwijtschelding wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
Het bedrag van de aanslag wordt in dat geval niet door middel van een aanslagbiljet aan de belanghebbende bekend gemaakt.
Het aannemelijk maken van het feit dat geen wijziging in de persoonlijke en financiële situatie heeft plaatsgevonden gebeurt door middel van het invullen, ondertekenen en voor 15 januari van het belastingjaar inzenden van het “gegevensformulier kwijtscheldingen gemeentelijke belastingen”
De navolgende documenten of kopieën daarvan, dienen – voor zover op de persoonlijke en financiële situatie van de aanvrager van toepassing - door de aanvrager bij het verzoekformulier te worden gevoegd:
dagafschriften van bank- en spaarrekening over de periode van een maand of vijf weken onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inzending van het gegevensformulier;
de laatst ontvangen loonstro(o)k(en) en/of uitkeringsspecificatie(s)
de laatst bekend huurspecificatie / hypotheekrentenota
Wanneer dit formulier niet tijdig is ingekomen, niet volledig of correct is ingevuld, niet is voorzien van de gevraagde bescheiden en/of wanneer er aanwijzingen zijn voor wijziging in de persoonlijke, financiële of vermogenspositie van de aanvrager, komt de betrokken belastingplichtige niet in aanmerking voor automatische kwijtschelding.
De belastingplichtige ontvangst daarvan schriftelijk bericht met de mededeling, dat hij/zij na ontvangst van het aanslagbiljet op de gebruikelijke wijze door middel van het verzoekformulier om kwijtschelding kan verzoeken.
Artikel 26
Kwijtschelding van belastingen
Onderdeel van Beleidsregels ten aanzien van het invorderen van gemeentelijk belastingen