Indien aan een medewerker een functie wordt opgedragen waaraan een hogere functieschaal is verbonden, daaronder begrepen een herziening van het functieniveau, wordt hij geplaatst in de aanloopschaal.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt, indien op de datum van functiewijziging de verlaten feitelijke salarisschaal gelijk is aan de nieuwe aanloopschaal, en in de feitelijke salarisschaal gedurende één jaar of langer de maximumbezoldiging werd genoten, wordt de medewerker geplaatst in de functieschaal. De in de verlaten schaal, die derhalve als functieschaal werd aangemerkt, doorgebrachte diensttijd telt niet mee voor plaatsing in de nieuwe uitloopschaal.
Indien na toepassing van het gestelde in het tweede lid het maximum van de aanloopschaal wordt bereikt voor afloop van de termijnen genoemd in artikel 8 tweede lid, vindt plaatsing in de functieschaal plaats één jaar na het bereiken van het maximum, tenzij de beoordeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid sub b, plaatsing in de functieniveau verhindert.
Indien op de datum van functiewijziging de verlaten feitelijke salarisschaal gelijk is aan de nieuwe functieschaal, en de feitelijke salarisschaal derhalve als uitloopschaal werd aangemerkt, dan telt, in afwijking van het bepaalde in lid 1, de in die uitloopschaal doorgebrachte diensttijd vermeerderd met één jaar mee voor de bepaling van het tijdstip van plaatsing in de nieuwe uitloopschaal.