Voor zover belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning waarbij de verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat zal deze mogelijkheid eerst beoordeeld worden. Deze beoordeling vindt alleen plaats indien de nu en in de toekomst verwachte maatwerkvoorzieningen een bedrag van € 5000,- te boven gaat.
Het primaat van verhuizing, zoals bedoeld in het eerste lid wordt niet toegepast indien:
er niet binnen een tijdsbestek van 1 jaar een woning beschikbaar komt waar naartoe de belanghebbende kan verhuizen, tenzij uit onderzoek blijkt dat het medisch verantwoord is om de in dit lid genoemde termijn te verruimen;
er een contra-indicatie tot verhuizen aanwezig is op grond van objectieve psychische en/of sociale redenen;
de woning waar naartoe kan worden verhuisd niet geschikter is dan de huidige woning;
de woning waar naartoe kan worden verhuisd zich niet binnen de gemeentegrenzen bevindt.
3.Het college kan in voorkomende gevallen een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuis- en (her)inrichtingskosten. De hoogte hiervan bedraagt € 1.540,00.
Artikel 10: richtlijn hulp bij het huishouden
Bij de verstrekking van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden stelt het college de omvang hiervan vast in uren en minuten per week.
Bij het bepalen van de omvang hanteert het college de Richtlijn indicatiestelling hulp bij het huishouden maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht zoals opgenomen in bijlage 3.
Wanneer cliënt voor een persoonsgebonden budget kiest wordt de hoogte van het budget bepaald door de door het college vastgestelde omvang maal het van toepassing zijnde tarief conform de tarievenlijst in bijlage 4.
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen
Artikel 11: soorten maatwerkvoorzieningen
De volgende soorten maatwerkvoorzieningen worden onderscheiden:
Hulp bij het huishouden
Woonvoorzieningen
Lokale vervoersvoorzieningen
Rolstoelvoorzieningen
Begeleiding
Persoonlijke verzorging in de vorm van begeleiding bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen
Kortdurend verblijf
Beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang.
Artikel 12: hulp bij het huishouden
De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden kan, wanneer verondersteld wordt dat de cliënt in staat is tot zelfregie over de planning van activiteiten, bestaan uit de volgende activiteiten:
huishoudelijke werkzaamheden die samenhangen met beperkingen op het vlak van schoonmaken van woonruimte, slaapruimte, sanitair, keuken (dagelijks of wekelijks onderhoud);
verzorgen van textiel (wassen, strijken);
onderhoud van kleding en schoeisel;
zorg voor de voeding ((voor)bereiden, serveren, afwassen, opruimen);
bed opmaken en/of verschonen;
beperkte verzorging van huisdieren.
De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden kan naast de werkzaamheden welke beschreven worden in lid 1 onder a. t/m f., bestaan uit gerichte hulp bij de organisatie van het huishouden door middel van de activiteiten:
planning van het voeren van het huishouden (wie doet wat);
aandacht voor hygiëne in huis;
advies en hulp bij het kopen van levensmiddelen;
beheer van de levensmiddelenvoorraad;
noodzakelijke opvang van thuiswonende kinderen;
instructie en voorlichting die direct is verbonden met activiteiten op het gebied van het voeren van een huishouding, bijvoorbeeld stimulering bij het deels zelf uitvoeren van activiteiten. Enige begeleiding kan deel uitmaken van deze prestatie, waaronder noodzakelijke advisering aan de informele hulp rondom de cliënt;
organisatie van de huishouding in verband met chronische ziekte of beperking;
specifieke ondersteuning bij een ontregelde huishouding i.v.m. psychische problemen.
Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget
Artikel 13: weigering persoonsgebonden budget
Een persoonsgebonden budget is uitsluitend mogelijk voor maatwerkvoorzieningen.
Het college kent geen persoonsgebonden budget toe als:
in de drie jaren, voorafgaand aan de datum van het onderzoek, toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d, en e van de wet;
het bieden van een keuze voor het persoonsgebonden budget negatieve gevolgen zou hebben voor het voortbestaan van het systeem van de desbetreffende maatwerkvoorzieningen in natura;
er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet;
Indien de verwachting is dat een voorziening noodzakelijk is voor een periode die korter is dan de economische levensduur van de voorziening in natura.
Artikel 14: voorwaarden voor een persoonsgebonden budget
Verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op basis van een door aanvrager opgesteld en door het college geaccordeerd budgetplan. In het plan staat hoe de budgethouder zijn hulp wil organiseren, wie deze hulp gaat leveren en op welke manier de kwaliteit is geborgd. Het plan bevat alle informatie ten aanzien van:
de te treffen voorziening en het beoogde doel,
de voorgenomen uitvoering daarvan,
de kwalificaties van de uitvoering,
een motivering waarom hij een persoonsgebonden budget wenst en
de aan de uitvoering verbonden kosten.
Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien naar het oordeel van het college:
het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager geen redelijke waardering van zijn belangen ten aanzien van de zorgvraag kan maken, of
het ernstige vermoeden bestaat dat hij niet in staat is de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken uit te voeren.
Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien naar het oordeel van het college de veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid onvoldoende is gegarandeerd.
Bij de inzet van het persoonsgebonden budget voor informele hulp geldt:
dat de hulpverlener in alle gevallen dient te beschikken over een verklaring omtrent gedrag en
dat als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimaal opleidingvereiste is, de hulpverlener over de desbetreffende kwalificatie beschikt.
Artikel 15: tariefbepaling persoonsgebonden budget
Afhankelijk van de ondersteuningsvorm hanteren we voor dienstverlening een tarief per uur (individuele dienstverlening), per dagdeel (groepsbegeleiding) en/of per etmaal (verblijf). Een overzicht van de toepasselijke tarieven is opgenomen in bijlage 4.
Het persoonsgebonden budget voor een zaak wordt vastgesteld op maximaal 100% van de kosten van de goedkoopst adequate voorziening in natura, indien van toepassing inclusief onderhoud en reparatie, zoals door het college aan een door haar gecontracteerde leverancier zou worden betaald.
Indien het hulpmiddel dat noodzakelijk is voor het te bereiken resultaat geen onderdeel uitmaakt van een contract tussen het college en een door haar gecontracteerde leverancier, wordt het persoonsgebonden budget voor het hulpmiddel vastgesteld op maximaal 100% van de kosten van de goedkoopst adequate voorziening, indien van toepassing verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie, vast te stellen door het college op basis van een offerte.
Artikel 15A: afbouwregeling tarieven huishoudelijke hulp 2009
Voor cliënten die op 31 december 2009 – op basis van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2007 Gemeente Maastricht - in het bezit waren van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden voor de (plus) activiteiten:
verzorging van kinderen bij uitval van ouders of verzorgers,
dagelijkse organisatie van het huishouden,
psychosociale begeleiding en
advies, instructie en voorlichting gericht op het huishouden en
het aanleren van bepaalde vaardigheden;
en die na herindicatie hiervoor geïndiceerd blijven, geldt dat het bruto uurtarief van € 18,82 van toepassing blijft.
Artikel 16: uitbetaling van het persoonsgebonden budget
Het persoonsgebonden budget wordt niet uitbetaald op de bankrekening van de budgethouder, maar op rekening van het servicecentrum PGB van de Sociale verzekeringsbank. Budgethouders hebben een trekkingsrecht op basis van het toegekende persoonsgebonden budget.
In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten eenmalige persoonsgebonden budgetten uit te keren op een andere rekening dan die van het servicecentrum PGB van de Sociale verzekeringsbank. Uitbetaling ook in deze gevallen in principe achteraf plaats.
Het trekkingsrecht op basis van een persoonsgebonden budget geldt in beginsel per kalenderjaar.
In individuele gevallen kan worden afgeweken van het bepaalde in het derde lid.
Artikel 17: bestedingsmogelijkheden persoonsgebonden budget
De bestedingsmogelijkheden van een persoonsgebonden budget wordt gebaseerd op de vergoedingenlijst PGB Maastricht 2015 zoals bijgevoegd in bijlage 5.
Het college kan in individuele situaties afwijkende bestedingsmogelijkheden toestaan. Indien van toepassing worden deze vastgelegd in de beschikking.
Artikel 18: controle van het persoonsgebonden budget
De Sociale verzekeringsbank controleert vooraf de zorgovereenkomst(en) tussen de budgethouder en zijn zorgverlener arbeidsrechtelijk.
Het college controleert vooraf de zorgovereenkomst op de afspraken zoals overeengekomen in het budgetplan.
Het college kan, achteraf, na afloop van de verstrekking dan wel na afloop van enig kalenderjaar, de verstrekte persoonsgebonden budgetten, middels een steekproef controleren.
Het college kan op basis van een steekproef een verdere controle uitvoeren aan de hand van door de budgethouder te overleggen relevante, originele en gedateerde facturen en/of betaalbewijzen en/of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen.
In verband met de in lid 4 van dit artikel genoemde controle dient de budgethouder gedurende een periode van 3 jaar bewijsstukken te bewaren van de besteding van het persoonsgebonden budget.
Indien, met de in dit artikel genoemde bescheiden niet of niet volledig de adequate besteding van het persoonsgebonden budget aangetoond kan worden of bij gebleken misbruik dan wel aanwending van het persoongebonden budget ten behoeve van andere zaken dan waartoe dit is toegekend, kan het college het al verstrekte persoonsgebonden budget geheel of ten dele intrekken en terugvorderen.
Ingeval een persoonsgebonden budget voor een eenmalige aanschaf vooraf wordt uitbetaald, controleert het college de besteding hiervan achteraf. Cliënt dient binnen 3 maanden na verstrekking van het persoonsgebonden budget desgevraagd een originele nota te kunnen overleggen. Het vastgestelde persoonsgebonden budget betreft een maximum vergoeding. Indien de ingediende nota lager is dan het toegekende PGB, zal het PGB worden gelijkgesteld met het bedrag vermeld in de nota.
Bij overlijden van de cliënt zal het persoonsgebonden budget voor periodieke dienstverlening worden stopgezet per eerste dag van de maand volgend op de maand van overlijden.
Hoofdstuk 6 Financiële tegemoetkomingen
Artikel 19: hoogte van de financiële tegemoetkoming bij woonvoorzieningen
De financiële tegemoetkoming voor standaard woonvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de gemaximeerde normbedragen, zoals weergegeven in bijlage 6 van dit besluit.
De financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing of een roerende woonvoorziening wordt uitbetaald aan de hoofdbewoner van een woning in eigendom of aan de eigenaar van de woning waaraan de voorzieningen zijn getroffen.
Indien de kosten van de woonaanpassing of roerende woonvoorziening meer bedragen dan € 20.000,00 of indien toepassing van de normbedragen, genoemd in lid 1 van dit artikel, niet mogelijk is, wordt de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor deze woonvoorziening, in afwijking van het in lid 1 van dit artikel gestelde, door het College vastgesteld op 100% van de kosten van de goedkoopst adequate voorziening, vast te stellen op basis van een offerte.
Indien de woningaanpassing in zelfwerkzaamheid wordt uitgevoerd, dan bedraagt de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget 75% van de in Bijlage II van dit besluit genoemde bedragen of de in lid 3 van dit artikel bedoelde goedkoopst compenserende offerte.
Woningaanpassingen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen, zijn hiervan uitgesloten.
Artikel 20: kostensoorten woningaanpassingen
Bij het vaststellen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van een woningaanpassing wordt rekening gehouden met de volgende kostensoorten:
De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening;
De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991;
Het architectenhonorarium tot ten hoogste 3% van de aanneemsom met een minimumbedrag van € 500,00;
De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;
De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;
De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, waarbij de in Bijlage III genoemde maximale normen gelden;
De door het College (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen worden;
De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;
De kosten van (her)aansluiting op een openbare nutsvoorziening;
De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de ondersteuningsbehoevende, voor zover de kosten onder a. tot en met i. meer dan € 1.000,00 bedragen, 10% van die kosten met een maximum van € 350,00.
Artikel 21: afschrijvingstermijn woonvoorzieningen
De afschrijvingstermijnen van voorzieningen worden gehanteerd, zoals weergegeven in Bijlage 6 van dit besluit of middels een beoordelingsrapportage van een bouwkundige.
Artikel 22: gereed melden en uitbetalen
De gereedmelding van de woonvoorziening is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de voorziening. Na akkoord bevinding gereed melding zal binnen 2 weken uitbetaling plaatsvinden op basis van de in de beschikking genoemde financiële tegemoetkoming.
De gereedmelding bedoeld in het eerste lid wordt tevens gezien als de verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de woonvoorziening is verleend.
Degene aan wie de woonvoorziening wordt verleend dient, voor zover gereed melding en uitbetaling nog niet heeft plaatsgevonden, alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden.
Artikel 23: maximaal aanpassingsbedrag voor bezoekbaar maken woning
De financiële tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woonruimte, niet zijnde woonverblijf, bedraagt maximaal € 3.225,00.
Het in lid 1 van dit artikel genoemde bedrag kan worden toegekend voor het bezoekbaar maken van maximaal één woning.
Artikel 24: maximale vergoeding bij woonvoorzieningen
Voor het geschikt maken van de woning bedraagt de financiële bovengrens voor woonvoorzieningen en -aanpassingen € 45.000,-.
Artikel 25: hoogte financiële tegemoetkoming bij een woonvoorziening in verband met luchtwegallergieën/CARA
Voor het geschikt maken van de woning wordt de financiële tegemoetkoming voor woonvoorzieningen in verband met luchtwegallergieën/CARA vastgesteld op basis van de gemaximeerde normbedragen, zoals weergegeven in bijlage 6 van dit besluit. Daarbij geldt dat enkel de slaapkamer in de huidige woonsituatie van de persoon voor sanering in aanmerking komt.
De in Bijlage 6 van dit besluit genoemde normbedragen worden bepaald op:
100% bij een ouderdom van de te vervangen voorzieningen tot 2 jaar;
75% bij een ouderdom van de te vervangen voorzieningen van 2 tot 4 jaar;
50% bij een ouderdom van de te vervangen voorzieningen van 4 tot 6 jaar;
25% bij een ouderdom van de te vervangen voorzieningen van 6 tot 8 jaar;
0% bij een ouderdom van de te vervangen voorzieningen van 8 jaar of ouder.
De financiële tegemoetkoming voor woonvoorzieningen en – aanpassingen wordt slechts eenmalig verstrekt.
Artikel 26: kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie
Indien bij het geschikt maken van de woning kosten in verband met onderhoud, keuring of reparatie van een woonvoorziening worden vergoed, zal de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor deze kosten worden vastgesteld in overeenstemming met het bedrag zoals door het College aan een door haar gecontracteerde leverancier zou worden betaald. Is dit in voorkomende gevallen niet mogelijk dan werkt het College met de in bijlage 6 gemaximeerde bedragen.
Artikel 27: frequentie woningaanpassingen
1.De aanvraag voor een woonvoorziening voor het geschikt maken van de woning wordt geweigerd indien:
de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van ergonomische beperkingen geen aanleiding bestond;
ten behoeve van de ondersteuningsbehoevende, korter dan 10 jaar geleden al een woonvoorziening is verstrekt.
2.Het gestelde in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien de verhuizing plaatsvindt om een naar het oordeel van het college gegronde reden.
Artikel 28: terugbetalen woningaanpassing
De wooneigenaar kan, bij verkoop binnen 10 jaar naar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden, verplicht worden tot terugbetaling van de woonvoorziening, verminderd met 10% per jaar en exclusief de kosten die voor rekening van de eigenaar van de woonruimte gekomen zijn, indien de kosten van die voorziening een bedrag van €10.000,00 te boven gaat. Hierbij wordt gedurende 10 jaar onderstaand afschrijvingsschema toegepast:
1e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 10%
2e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 20%
3e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 30%
4e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 40%
5e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 50%
6e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 60%
7e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 70%
8e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 80%
9e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 90%
10e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 100%
Artikel 29: financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een (eigen) auto, een (rolstoel)taxi of een bruikleenauto
Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor het gebruik van een (eigen) auto, een rolstoeltaxi of een bruikleenauto met als doel zich lokaal te verplaatsen.
De financiële tegemoetkoming die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto bedraagt € 1.087,00.
De financiële tegemoetkoming die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een taxi bedraagt € 1.087,00.
De financiële tegemoetkoming die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een rolstoeltaxi, bedraagt € 1.631,00.
De financiële tegemoetkoming die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een bruikleenauto bedraagt € 701,00.
De ondersteuningsbehoevende aan wie een financiële tegemoetkoming is verstrekt zoals genoemd in dit artikel, is geen verantwoording over dit bedrag aan het college verschuldigd.
Artikel 30. financiële tegemoetkoming autoaanpassingen
Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor het aanpassen van de auto.
Indien een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt voor een autoaanpassing dan geldt het volgende:
het maximale bedrag dat kan worden toegekend bedraagt € 2.050,00;
toekenning kan enkel plaatsvinden indien de auto niet ouder is dan 3 jaar;
een aanpassing wordt maximaal eens per 5 jaar verstrekt, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen;
het dient om een aanpassing te gaan die niet standaard kan worden opgenomen of verkrijgbaar is in voorhanden zijnde automodellen, die minder vaak voorkomt of die in een uitvoering gemaakt moet worden die afwijkt van de gangbare voorzieningen;
bij vervanging van de auto dient, bij aanpassingen die verwisselbaar zijn, bekeken te worden of de aanpassingen overzetbaar zijn.
Artikel 31: Financiële tegemoetkoming sportrolstoel
Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als financiële tegemoetkoming. Het bedrag bedraagt maximaal € 3.588,-- (incl. BTW) welk bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor een periode van drie jaar.
Hoofdstuk 7 Eigen bijdrage
Artikel 32: inning en vaststelling van de eigen bijdrage
De te betalen eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget zal worden vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor [CAK] zoals is bepaald in het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, Staatsblad 2014 nr. 420.
In afwijking van het eerste lid wordt de vaststelling en inning van de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang door het college opgedragen aan de instelling waar de cliënt verblijft. De wijze waarop de bijdrage wordt berekend en de instellingen die het betreft zijn opgenomen in bijlage 7.
Artikel 33: berekening van de eigen bijdrage
Er geldt geen eigen bijdrage:
voor rolstoelen;
voor de verhuiskostenvergoeding, die wordt verstrekt als een financiële tegemoetkoming;
voor personen tot 18 jaar met in achtneming van het bepaalde in artikel 14 lid 2 van de verordening;
Voor de kosten die het college maakt voor de collectieve vervoersvoorziening Regiotaxi.
De bijdrage voor beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang wordt berekend en vastgesteld op het toegestane maximumbedrag conform het landelijke Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015.
Voor de overige maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budgetten en financiële tegemoetkomingen stelt het college de parameters op basis waarvan de berekening plaatsvindt als volgt vast:
de minimale eigen bijdrage wordt vastgesteld op 75% van het toepasbaar maximum bedrag uit het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
het startpunt van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage wordt vastgesteld op het toepasbaar bedrag uit het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
het percentage voor de berekening van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage wordt vastgesteld op 67% van het toepasbaar maximum percentage uit het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
De hoogte en duur van de eigen bijdrage wordt gemaximeerd door de kostprijs van de voorziening, het bedrag van het persoonsgebonden budget of de hoogte van de financiële tegemoetkoming.
Artikel 34: de kostprijs van de maatwerkvoorziening, het persoonsgebonden budget en de financiële tegemoetkoming
De kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald door:
de daadwerkelijke kosten zoals deze door de gemeente zijn verschuldigd.
In afwijking van het eerste lid sub a wordt voor de kostprijs van de voorzieningen begeleiding en persoonlijke verzorging (artikel 11 lid 1, sub e en sub f) uitgegaan van een vast tarief van € 14,- euro per uur of € 14,- per dagdeel.
Een overzicht van de van toepassing zijnde kostprijzen voor maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budget is opgenomen als bijlage 8.
De kostprijs van een persoonsgebonden budget en de financiële tegemoetkoming wordt bepaald door de hoogte van het persoonsgebonden budget.
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen
Artikel 35: inleverpremie scootmobielen bij niet-gebruik
Een ondersteuningsbehoevende kan op diens verzoek in aanmerking komen voor een premie indien hij spontaan en vrijwillig de aan hem door de gemeente toegekende scootmobiel inlevert bij de gemeente;
De onder lid 1 bedoelde premie bedraagt € 150,- en wordt slechts eenmaal per cliënt verstrekt per toegekende aanvraag;
Een aanvraag voor de in lid 1 genoemde premie wordt ingediend door, en onmiddellijk na positieve gemeentelijke besluitvorming uitbetaald aan de ondersteuningsbehoevende aan wie de scootmobiel is toegekend;
De ondersteuningsbehoevende die aanspraak wil maken op de onder lid 1 genoemde forfaitaire vergoeding dient in het bezit te zijn van een indicatie voor een scootmobiel met een geldigheid van tenminste 6 maanden vanaf de datum van aanvraag;
De onder lid 1 genoemde premie wordt niet uitgekeerd:
in geval van overlijden van de ondersteuningsbehoevende aan wie de scootmobiel is toegekend;
in geval van vervanging van de aan de ondersteuningsbehoevende toegekende scootmobiel door een andere scootmobiel of vervanging door andere Wmo-voorziening;
indien het een aanvraag betreft tot inleveren van een scootmobiel die is aangeschaft via een door de gemeente toegekend persoonsgebonden budget;
Artikel 36: citeertitel en inwerkingtreding
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2015 en treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.
Het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Maastricht 2013, versie 2, per 1 januari 2014. Wordt met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1: begripsbepalingen
In dit besluit worden een aantal belangrijke begrippen uit de wetgeving en verordening herhaald. Daarnaast worden enkele begrippen, die terugkomen in de artikelen van het besluit gedefinieerd.
Artikel 2: wijze van verstrekking van een voorziening
De wetgeving noemt de maatwerkvoorziening, dan wel het persoonsgebonden budget als verstrekkingsvormen. In het besluit wordt hier de financiële tegemoetkoming (voor bepaalde kosten) aan toegevoegd. De grondslag hiervoor is te vinden in artikel 2.1.7 van de wet. Daarmee kan continuïteit geboden worden voor de bestaande praktijk. Bijvoorbeeld voor het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding of een tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto. Een financiële tegemoetkoming is slechts mogelijk bij de in het besluit benoemde gevallen en betreft een forfaitair of gemaximeerd bedrag.
De term maatwerkvoorziening wordt in de wetgeving vaak als synoniem gebruikt voor een verstrekking in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt. Het college is in deze gevallen de opdrachtgever. Het persoonsgebonden budget en de financiële tegemoetkoming zijn beide geldbedragen.
Artikel 3: second opinion
In artikel 8 lid 1 van de verordening wordt het college opgedragen een regeling vast te stellen voor een herbeoordeling van de melding. Artikel 3 van het besluit voorziet in deze regeling.
Lid 1
Een second opinion heeft betrekking op situaties waarbij de cliënt zich niet geholpen voelt of het oneens is met de adviezen, verwijzingen en afspraken die voortvloeien uit het onderzoek. Het biedt cliënt een vorm van rechtsbescherming waar hij dit in de meldingfase op grond van de Algemene wet bestuursrecht (nog) niet heeft.
Lid 2
Het initiatief voor de second opinion ligt in alle gevallen bij de cliënt. Hij bepaalt ook welke van de drie geboden opties de second opinion behandeld. Onder kwaliteitsmedewerker wordt verstaan een medewerker van sociale zaken met een specifieke deskundigheid ten aanzien van het proces en/of de inhoud. In alle gevallen is het aan de gemeente om de behandelaar voor de second opinion aan te wijzen. Bij de optie onder sub a en b ligt dit voor de hand. Ingeval een derde deskundige gekozen wordt, is in het artikel expliciet benoemd dat het aan de gemeente is om deze aan te wijzen. Het college is opdrachtgever van het onderzoek en waarborgt de onafhankelijkheid. Dit is conform de praktijk ingeval van bezwaar (en beroep).
Lid 6
Cliënt kan in alle gevallen en op ieder moment besluiten tot het indienen van een aanvraag.
Lid 7
Als hoofdregel is vastgelegd dat een verzoek om een second opinion niet leidt tot schorsing van rechtswege. Hiermee wordt aangesloten bij de praktijk zoals deze in de Algemene wet bestuursrecht (artikel 6:16 Awb) is vastgelegd.
Artikel 4: klachtregeling
In artikel 8 lid 2 van de verordening wordt het college opgedragen een regeling vast te stellen voor de behandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen.
De gemeente Maastricht kent voor de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht een Verordening interne klachtbehandeling en een op basis daarvan opgesteld klachtenreglement. Klachten in het kader van de uitvoering van de verordening worden afgehandeld in de klachtenkamer Sociale zaken.
Artikel 5: periodiek onderzoek
Artikel 9 lid 3 van de verordening is bepaald dat het college nadere regels kan vaststellen ten aanzien van de periodiciteit van onderzoeken. Artikel 5 van het besluit voorziet hierin.
Gekozen is voor een termijn van in beginsel 3 jaar. Of een kortere termijn noodzakelijk is zal mede afhangen van de aard, de wijze en de omvang van de individuele ondersteuningsbehoefte van de cliënt en wat bij het onderzoek is vastgesteld. Afhankelijk hiervan kan ook een langere termijn overwogen worden.
De cliënt, diens omgeving, de formele en/of informele hulp kunnen tussentijds op ieder moment om een nieuw onderzoek vragen. Professionele aanbieders hebben als opdracht aan de gemeente te signaleren wanneer de zorgbehoefte van de cliënt verandert.
Het periodiek onderzoek kan tot de conclusie leiden dat het geheel aan maatregelen nog altijd goed op de persoon is afgestemd, maar ook dat het college tot een heroverweging komt en beslist dat de cliënt meer of minder diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en/of ondersteuning via andere voorzieningen nodig heeft.
Daar waar er geen sprake is van een maatwerkvoorziening wordt vooralsnog geen richtinggevende termijn gesteld. Per individueel geval wordt beoordeeld in hoeverre en binnen welke termijn een periodiek onderzoek plaatsvindt. Door monitoren van de omvang en periodiciteit in het eerste jaar kan dit vanaf 2016 worden genormeerd.
Artikel 6: afwegingskader
Tijdens de toegangsprocedure wordt beoordeeld welke (combinatie van) ondersteuning passend is bij de hulpvraag van de belanghebbende. Hierbij wordt eerst beoordeeld welke mogelijkheden er liggen in:
de eigen kracht van de hulpvrager,
de gebruikelijke hulp of gebruikelijke voorzieningen,
de mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk
de wettelijk voorliggende voorzieningen en algemene voorzieningen
Pas nadat uit het onderzoek van artikel 6 van de verordening is geconcludeerd dat de hulpvraag hiermee niet, of niet geheel kan worden beantwoord is een maatwerkvoorziening aan de orde.
Er is een breed aanbod aan algemene voorzieningen beschikbaar. Denk hierbij aan voorzieningen binnen het onderwijs, de jeugdgezondheidszorg, welzijnsvoorzieningen, sport en cultuur. Belanghebbenden die een lichte, eenvoudige ondersteuningsvraag hebben, kunnen hier doorgaans zonder indicatie van de gemeente terecht.
Artikel 7: algemeen gebruikelijke voorzieningen
In dit artikel wordt expliciet gemaakt dat voorzieningen die als algemeen gebruikelijk kunnen worden aangemerkt niet voor verstrekking als maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget in aanmerking komen.
Lid 2 verwijst naar een niet limitatieve opsomming van algemeen gebruikelijke voorzieningen gebaseerd op het huidige beleid en de jurisprudentie op dit terrein. Met het criterium algemeen gebruikelijk wordt beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van betrokken belanghebbende, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij geen beperking of probleem had, de beschikking zou (kunnen) hebben, waarbij tevens verwacht wordt dat een burger anticipeert op een normale levensloop.
Artikel 8: gebruikelijke hulp
In dit artikel wordt expliciet gemaakt dat hulp die als gebruikelijk kan worden aangemerkt niet voor verstrekking als maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget in aanmerking komt.
Uitgangspunt is dat mensen die samen een leefeenheid vormen, elkaar horen te helpen, waar dat kan. Ze zijn dus ook gezamenlijk verantwoordelijk voor het huishouden. Het aandeel dat ieder lid van de leefeenheid geacht wordt bij te kunnen dragen aan het huishouden, wordt gebruikelijke zorg genoemd. Als de belanghebbende alleen woont of voor de betreffende hulp bepaalde specialistische kennis of vaardigheden nodig zijn, is gebruikelijke hulp niet aan de orde.
Lid 2 bevat een verwijzing naar de richtlijn gebruikelijke hulp die bij de beoordeling wordt gehanteerd. Deze richtlijn is voor wat betreft de dienstverlening huishoudelijke hulp gebaseerd op het bestaande beleid en voor wat betreft de nieuwe taken op hoofdstuk 4 van de CIZ indicatiewijzer 2014 zoals deze werd gehanteerd in de Algemene wet bijzondere ziektekosten.
Artikel 9: primaat verhuizing
Het College beoordeelt allereerst of het resultaat ook te bereiken is via een verhuizing. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Ook het verhuizen naar een andere buurt of wijk dan waar de belanghebbende op dat moment woont is hier een mogelijkheid.
Lid 2 somt daarnaast een aantal omstandigheden op die ertoe leiden dat het primaat van
de verhuizing niet kan worden toegepast. Afwijken van het primaat van de verhuizing is in uitzonderingssituaties ook mogelijk op grond van andere redenen dan welke genoemd worden in dit artikel. Hierbij is te denken aan de afhankelijkheid van de verzorgingsbehoevende aan mantelzorgers die in de directe omgeving wonen en die vaak en direct oproepbaar dienen te zijn en de verzorgingsbehoevende zonder de mantelzorger niet zelfstandig kan functioneren.
Het in lid 3 opgenomen forfaitaire bedrag is overgenomen uit 2014 en is tot stand gekomen op basis van prijsopgaven.
Artikel 10: richtlijn hulp bij het huishouden
Het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Adequaat een huishouden voeren is een zeer subjectief begrip waarop iedereen eigen normen en waarden hanteert. Om dit te objectiveren hanteert de gemeente een richtlijn. De werkzaamheden die onder huishoudelijke verzorging vallen, zijn in de richtlijn huishoudelijke hulp beschreven en genormeerd in tijd, afhankelijk van het aantal personen in het huishouden en de grootte van het huis. Ten aanzien van dat laatste wordt uitgegaan van het aantal kamers dat gezien de omvang van het huishouden nodig is, niet met het werkelijke aantal kamers, als het huis groter is.
Met het hanteren van de richtlijn huishoudelijke hulp wordt het bestaande beleid gecontinueerd. De passende ondersteuning op dit terrein heeft betrekking op de ruimten die - op het niveau sociale woningbouw - voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Daarbij kunnen persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk maken hiervan af te wijken. Het gaat om alle activiteiten teneinde het huis, exclusief de tuin, maar inclusief balkon en berging, leefbaar te houden.
Artikel 9:
primaat verhuizing
Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2015
Verwijzingen
- Artikel 36
- Artikel 32
- Artikel 10
- Artikel 30
- Artikel 27
- artikel 8
- Artikel 1
- artikel 6
- artikel 11
- Artikel 17
- Artikel 15
- Artikel 11
- artikel 2
- Artikel 35
- Artikel 8
- Artikel 28
- Artikel 12
- Artikel 29
- Artikel 33
- Artikel 3
- Artikel 19
- Artikel 6
- Artikel 21
- Artikel 18
- Artikel 7
- Artikel 23
- Artikel 5
- artikel 9
- Artikel 2
- Artikel 25
- Artikel 31
- Artikel 16
- Artikel 9
- Artikel 26
- Artikel 9
- Artikel 4
- Artikel 24
- Artikel 13
- Artikel 20
- Artikel 34
- Artikel 10
- artikel 14
- artikel 2
- artikel 8
- Artikel 14
- Artikel 22
- artikel 2