**1..** De norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft of die in de woning van een ander zijn hoofdverblijf heeft en die de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen, wordt verhoogd met een toeslag die is bepaald op de helft van het in artikel 25, lid 2 van de wet genoemde maximumbedrag behoudens het bepaalde in artikel 6, lid 1 van deze verordening.
**2..** In afwijking van lid 1 wordt de norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder verhoogd met een toeslag, die is bepaald op het in artikel 25, lid 2 van de wet genoemde maximumbedrag behoudens het bepaalde in artikel 6, lid 1 van deze verordening, indien de woning wordt bewoond met een ander of die in de woning van een ander woont en die de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen.
**3..** Van het niet kunnen delen van de algemeen noodzakelijk kosten is in ieder geval sprake, indien de woning wordt bewoond met uitsluitend:
a. een niet ten laste komend kind jonger dan 21 jaar, dat over een inkomen beschikt dat niet hoger is dan het bedrag in artikel 21, sub a van de wet;
b. een ongehuwd kind dat aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en over een inkomen beschikt dat niet hoger is dan het bedrag in artikel 21, sub a van de wet; Onder “inkomen” wordt mede begrepen het inkomen dat in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 bij de vaststelling van de hoogte van het toetsingsinkomen buiten beschouwing wordt gelaten;
c. een bloedverwant in de eerste of tweede graad waarbij sprake is van zorgbehoefte tussen één van deze bloedverwanten en de alleenstaande of de alleenstaande ouder.
**4..** In afwijking van lid 1 wordt geen toeslag als bedoeld in artikel 25, lid 2 van de wet verleend, indien die ander de niet-rechthebbende echtgenoot of daarmee gelijkgestelde is en een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren ontvangt.
**5..** Bij drie of meer kostgangers en/of onderhuurders wordt de kostgever of de (onder)verhuurder geacht een bedrijf te exploiteren en dient voor een inkomensvoorziening een beroep te worden gedaan op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Hoofdstuk 3.
Artikel 4.
Niet alleenwonende alleenstaande (ouder)
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2009