Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Het opdragen van een tegenprestatie

Onderdeel van Verordening Tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Wijdemeren 2015

1.. Het college kan elke uitkeringsgerechtigde die een beroep doet op de Participatiewet, IOAW of IOAZ een tegenprestatie opdragen. 2.. In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie op aan: de belanghebbende die binnen 6 maanden na instroom in de uitkering aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze verordening de belanghebbende die mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. 3.. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: de mogelijkheden en bekwaamheden van een belanghebbende; de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende de persoonlijke wensen van een belanghebbende re-integratieactiviteiten en trajecten naar werk, waarbij de tegenprestatie belemmerd kan werken op deze activiteiten en trajecten.

Rechtspraak bij dit artikel