Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van
aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:
a) naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;
b) niet zijn bedoeld als re-integratie instrument;
c) worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin
ze worden verricht; en
d) niet leiden tot verdringing van regulier werk.