Naar hoofdinhoud
1.. Het binnenhavengeld moet worden betaald op de eerste werkdag volgende op de dag van aankomst van het vaartuig in de haven, doch vóór het tijdstip waarop het vaartuig uit de haven vertrekt. 2.. Indien het vaartuig in de loop van een termijn, die in de tabel is aangeduid als een termijn per reis, uit de haven vertrekt en daar in de loop van die termijn terugkeert, begint bij de terugkeer een nieuwe termijn en neemt met betrekking tot de laatstbedoelde termijn het gebruik van de haven opnieuw een aanvang. 3.. Het gebruik van gemeentelijk vaarwater, als bedoeld in het voorgaande lid, wordt niet geacht te zijn onderbroken, indien na een motorreparatie eenmalig een korte proefvaart buiten het gemeentelijk vaarwater wordt gemaakt. 4.. Bij voortgezet verblijf in de haven, na afloop van de termijn waarover binnenhavengeld is betaald, begint een nieuwe termijn en neemt met betrekking tot de laatstbedoelde termijn het gebruik van de haven opnieuw een aanvang. Alsdan moet opnieuw betaling overeenkomstig het eerste lid plaatsvinden. 5.. Het in lid 4 bepaalde vindt geen toepassing, indien het gebruik van de haven eindigt vóór des middags 12.00 uur op de dag, volgende op de laatste volle dag van de verstreken termijn. 6.. Het binnenhavengeld voor voortgezet verblijf, zoals geregeld in lid 4, wordt niet geheven indien het voortgezet verblijf uitsluitend het gevolg is van stremming van de scheepvaart door ijs of andere natuurlijke overmacht of door het onklaar geraken van vitale delen van het gemeentelijk vaarwater.

Rechtspraak bij dit artikel